Midden in het Geestdrift Festival ging de hemel open

Midden in het Geestdrift Festival ging de hemel open

Rebecca bezocht afgelopen weekend het Geestdrift Festival. Het gewelf van de Janskerk, de nietige God van Christian Wiman en de sterrenhemel van psalm 8 blijven in haar hoofd rondzingen.

Mijn hoofd raakte bijna de voeten van degene die achter mij lag. Als ik mijn linkerelleboog iets te ver uitstak, kon ik iemand die ik niet kende tegen het hoofd stoten. De vriendin aan mijn rechterkant maakte een schemerige selfie: wij met z’n drieën op één wollen oma-deken. Met mijn voeten kon ik me tegen het stenen doopvont afzetten.

Voeten op het doopvont, hoofd in de hemel

Het koor van de oude Janskerk lag vol met bezoekers van het Geestdrift Festival. Voor de afsluiting hadden we ons verplaatst van de stoelen naar warme wollen dekens op de stenen vloer, om te luisteren naar golvende pianomuziek. Wie zijn ogen niet dicht had gedaan, lag in een deken gerold op zijn rug het 500 jaar oude gotische gewelf in te kijken.

Ik kan me niet goed voorstellen hoe mensen meer dan vijf eeuwen geleden dergelijke gewelven optrokken zonder gemotoriseerde kranen en liften. Het werk van mensenhanden is wonderlijk, als je erover nadenkt. Zo’n gewelf is gemaakt om je blik naar boven te trekken. Het is een beetje hemels – zo hoog en ontzagwekkend dat het je doet denken aan het hemelgewelf. Tegelijk is het door mensenhanden gebouwd om de oneindigheid van de hemel juist aan je blik onttrekken. Het is een beschermend dak dat de oneindigheid hanteerbaar maakt, teruggebracht tot menselijke maat.

God in de valk en de vonkenregen

Christian Wiman sprak die middag over zijn Godservaring, in gedichten waarin het woord God niet voorkwam. Prachtige poëzie waar God zich tussen de regels door liet zien. Het is alsof God zich verstopt achter de dingen bij Wiman. Of beter: in de diepte van de dingen laat God zich vinden. In de blik van een valk, die Wiman en zijn lief vanaf de vensterbank met zijn vogelogen aankijkt. Of in een regen van vonken als een metro een bocht om gaat en alle passagiers tegelijk kijken met verwondering.

Of God is in de leegte, God is de joy of the void, de vreugde van de leegte, waar je bevrijd bent van de last van het zoeken naar betekenis. Voor Wiman is geloof juist géén houvast zoeken, maar je laten vallen in die leegte, lost in God. In het niet weten wie God is ontdek je de Eeuwige juist steeds weer… omdat H/Zij naar ons reikt. In die valk of die vonkenregen.

(On)draaglijk klein en nietig

Het is als de oneindigheid van de sterrenhemel waardoor je je ondraaglijk klein en nietig voelt. En die je doet verlangen naar de bescherming van een dak, een beeld van God dat houvast geeft. Wiman biedt dat dak niet. Hij probeert te leven onder de open hemel.

Die sterrenhemel maakt een mens bewust van haar nietigheid. In psalm 8 dicht iemand:

Als ik de hemel zie, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren door u daar bevestigd,
wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt?

De mens grenst aan de leegte – ooit was zij er niet, ooit zal zij niet meer zijn. Of misschien wel, maar hoe, dat ligt buiten ons weten. Dat maakt nietig. Het maakt mij soms bang, die sterfelijkheid. Het doet mij verlangen naar een dak dat beschermt, een verhaal dat troost en veiligheid biedt.
En dan zegt de psalmdichter: U hebt hem bijna een god gemaakt. Als ik voor de zekerheid nog even het woord void google, blijkt het ook nietig te betekenen. God is is niet alleen leegte, God maakt zich nietig, God maakt zich klein… tussen de regels door vind je de Oneindige. Daar laat H/Zij zich vinden. Als oneindige.

God,
ik kom u tegen op aarde,
aan de hemel zie ik sporen van u:
zoveel sterren, de maan –
uw werk.
Denkt u daar in het oneindige heelal
ook aan een kind,
aan mij, mensenkind?

De ogen van een kind,
een baby die in mijn armen wordt gelegd –
het vertelt me van het wonder
dat u ons bijna goddelijk gemaakt hebt,
met heel de aarde aan onze voeten
om te belopen
en te bewerken.
U vertrouwt ons het toe.

God, ik kom u tegen
overal op aarde.

Van Stephan Sanders, die ook sprak tijdens het Geestdrift Festival, bleef me deze zin bij: in de kerk gaat het even niet over mij. Dat is een opluchting. Ik heb mijn plek in een groter verhaal, ik mag mij nietig weten én gezien tegelijk.