Hoop zonder grond

Hoop zonder grond

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Niets meer dan een hopen – PopUpGedachte woensdag 12 oktober

Het blijft steeds langer donker op deze ochtenden. De wind jaagt langs de huizen en takken en bladeren zwiepen rond. De wolkenflarden bewegen in snel tempo langs de hemel, enkel verlicht door het restlicht van een langzaam wakker wordende stad. Maar donker is het nog. Voorlopig.

Niemand die twijfelt overigens. Dat licht komt wel. Koffie maken, ontbijtje regelen, spullen pakken voor de dag – tegen de tijd dat we op weg zijn is het licht er weer. Dat hopen we niet eens, dat weten we.

Maar wat als het donker blijft? In de ziel? ‘Het water stijgt tot aan mijn lippen’ is het poëtische fragment uit dat theatrale boekje Jona – je weet wel van Jona in de vis – momenteel zit hij op het toneel in een vissen-ingewand en dicht een kleine Homerische psalm: ‘ Het water stijgt tot aan mijn lippen, muren van water storten op mij neer, zeewier om mijn hoofd verstikt mij, ik zink tot de bodem waar de bergen oprijzen naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.’

De woorden benemen je de adem als je langzaam en herhaald leest. Het zeewier om de nek, het zinken naar de bodem waar de gepiekte zeebergen wachten, het vechten om lucht, een lucht die niet meer komt. Het is donker.

Paulus zit vanochtend middenin een vliegende storm op zee, hij wordt naar Rome gebracht maar het schip komt in een zware herfststorm terecht, de tekst klopt met ons jaargetijde. De zee was al ruig, maar nu staat er: ‘Dagenlang waren de zon noch de sterren te zien en bleef de storm in alle hevigheid woeden, zodat we tenslotte alle hoop op redding verloren.’ Ze hadden het zeilen al opgegeven en lieten zich stuurloos door de storm opjagen totdat die zou zijn uitgewoed, daar hoopten ze op maar de donkere stormdagen regen zich aaneen ‘zodat we tenslotte alle hoop op redding verloren’.

Niets in de geleefde omgeving biedt enige reden tot vertrouwen. Men leeft maar daar is alles mee gezegd, de leefrichting is het donker in, de dagen die komen rijzen als bergen van ellende je tegemoet. Het is het dagelijkse leven van zovelen.

Jona vervolgt zijn wurgende beschrijving en gooit het roer om, na het rijk te noemen ‘dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit’ schrijft hij opeens: ‘ maar u trekt mij levend uit de dood omhoog. O Heer mijn God, nu mijn levensadem mij verlaat, roep ik u aan.’ Hij koestert zich geen illusies over zijn levensadem, maar ergens irrationeel en ongefundeerd in de reeele werkelijkheid koestert hij een licht.

Paulus, direct na de verloren hoop, richt het woord tot de bemanning, beschrijft een visioen, vertelt dat het schip zal vergaan maar iedereen het zal overleven. Ze zullen crashen op een eiland, maar brengen het er levend vanaf.

Een woord, tekst die geen grond heeft in de werkelijkheid, en toch de opmaat is in deze verhalen voor een nieuw begin. Jona komt op het strand terecht, Paulus op dat eiland. Hadden ze het zonder de woorden overleefd? Of was de moed al verder opgegeven? Soms zijn het maar woorden, die opborrelen, hoop zonder grond die in leven houdt tot uit het niets weer grond zich aandient. Het is karig, dat hopen. Maar de verhalen zijn er niet voor niets. Om nog een stukje langer vol te houden, als de zuurstof uit het leven wegloopt en de hoop op licht ongegrond lijkt. Nog even, niet dat alles goed komt, zeker niet. Laten we dat in godsnaam niet zeggen, niet denken, niet hopen – zeker niet toewensen of achteloos bij de ander in de schoot flikkeren om van zijn gesomber af te zijn. Alles komt helemaal niet goed, maar verlangen naar een soort innerlijk vuur, zoals Jona dat heeft en Paulus dat krijgt – dat is terecht, dat wordt gegeven in de geschiedenis. Deze historie is de grond, een gerechtvaardigde hoop op een innerlijk overeind blijven ook als de zichtbare werkelijkheid je geen enkele illusie meer doet koesteren.

Als Jezus in de tekst van vanochtend zijn leerlingen uitstuurt om het koninkrijk, de nieuwe wereld die eraan komt, die al begonnen is, aan te kondigen aan mensen onderweg geeft hij vrij specifieke instructies: ‘Neem niets mee onderweg, geen stok, geen reistas en ook geen extra kleren, blijf als je onderdak geboden wordt tot je weer verder gaat.’ Waar Jona en Paulus alle veiligheid verliezen, stuurt Jezus zijn volgelingen zonder veiligheid op weg. Het einde van de werkelijkheid waar je op kon vertrouwen – je eigen voorbereiding, je eigen tools, energie, werk, geld, baan – het verlies daarvan is de beginsituatie voor de leerlingen van Jezus. Laat je maar vangen en verzorgen en verlichten en dragen. Wie niets heeft, kan niet anders.

Voor wie het nog lang niet zo donker is in het leven als hierboven beschreven, wie het verstikkende zeewier om de nek niet herkent en de onzichtbaarheid van zon en maan gedurende zo lange tijd dat alle hoop verdwijnt, heeft wel iets te doen. Alvast oefenen. Alvast loslaten. Alvast je leren dragen. Zodat in tijden van donkerte er een vertrouwen gegroeid kan zijn, zoals dat van Paulus en Jona. Het is niet onze natuur, we leren van jongsaf op eigen benen staan. En zijn vervolgens nergens meer als die het begeven. Waarom zouden we op eigen benen staan, er zijn zovelen die graag steunen, dragen en verder brengen. Zo zijn we gemaakt. Om elkaar te dragen.

Hoop vergt oefening. In tijden dat het licht nog niet helemaal is gedoofd.

Jona 2:1-10

Handelingen 27:9-26

Lucas 9:1-17