Over de engel Gabi en Rachel – een kerstverhaal

Over de engel Gabi en Rachel – een kerstverhaal

Rolinka schreef dit jaar ons kerstverhaal. Om voor te lezen, of om lekker zelf te lezen. 

‘Wie ben jij?’ Twee nieuwsgierige oogjes en een wipneusje staken om het hoekje van de kastdeur.
‘Ik ben Gabi’, antwoordde ik.
De oogjes keken nog eens goed en vernauwden zich tot spleetjes.
‘Wát ben jij?’
‘Ik ben een engel.’
De twee kleine oogjes werden zo groot als schoteltjes en al snel verscheen er een heel hoofdje om de hoek.
‘Een engel?’
‘Ja, een engel. Is dat soms zo gek?’

Het hoofdje hoorde bij een meisje in een armoedig jurkje met een schortje voor.

‘Nou, eh, het is niet echt gek, want ik vraag al heel lang of er iemand of iets mij wil komen helpen. Ik heb het aan de sterren en de maan gevraagd. Dus ja, dan is het eigenlijk heel logisch dat er een engel komt.’ Ze had haar handen inmiddels in haar zij gepland en keek me kritisch aan.

‘Wie ben jij eigenlijk?’ vroeg ik snel, om de aandacht van mezelf af te leiden. ‘Ik ben Rachel, ik ben de dochter van de baas hier in de herberg.’

Ze had het nog niet gezegd, of we hoorden een zware mannenstem roepen. ‘Rachel, Rachel, waar ben je? Schiet op met die borden!’

Snel dook ze naast me in de kast en trapte met één voet de deur dicht.

‘Goed,’ zei ze kordaat, ‘Jij komt me dus helpen. Kun je een beetje werken? Ben je snel? Kun je wassen en strijken?’

Ik wist even niet welke kant dit op zou gaan. Ik was namelijk wel naar beneden gekomen om ergens mee te helpen, maar wat precies was ik vergeten. Bovendien brak ik ook nog mijn vleugel toen ik net iets te dicht langs een boomtop vloog. Daardoor viel ik met een smak naar beneden en ben ik maar op het licht af gelopen. Wij engelen zijn daar erg goed in, moet je weten. Licht vinden als het donker is. Dit licht hoorde bij een herberg, waar ik me maar even in een kast verstopte, tot ik een briljante oplossing zou hebben voor mijn probleem.

‘Wassen? Strijken? Ik kan zingen’, antwoordde ik Rachel. ‘En ik kón vliegen, maar dat gaat niet meer met die vleugel van me.’
Rachel keek me bezorgd aan.
‘Ben jij dan wel degene die me komt helpen?’
‘Geen idee,’ antwoordde ik, ‘maar ik wil het best proberen. Zou jij mij dan misschien ook willen helpen? Mijn vleugel, zie je, zonder die vleugel deug ik eigenlijk nergens meer voor.’
Rachel knikte.
Ze vertelde hoe vaak ze zich wel niet voorgesteld dat ze kon vliegen. Hoog en ver weg van alles hier. ‘s Nachts lag ze op haar rug in het veld naar de sterren te kijken. Dan droomde ze dat ze op een ster kon wonen. Mama woonde ook op een ster, dat geloofde ze vast en zeker.

‘Woon jij ook op een ster?’
‘Eh…nee. Ik woon niet echt op een ster. Ik woon eerder daartussen. Ofzoiets.’ Ik wist niet goed hoe ik hier nou op moest antwoorden. ‘Om eerlijk te zeggen, weet ik eigenlijk niet precies waar dat is, waar ik woon. Het is overal en nergens. Het is boven en onder. En het is binnenstebuiten. Maar mensen vinden dat lastig te begrijpen.’

Met een flinke klap werd de kastdeur opengetrokken. Een woest uitziende man met smerig schort keek ons kwaad aan. Rachel dook weg achter mijn gebroken vleugel. Opeens ging alles heel snel. De man schoot met zijn hand onder mijn vleugel en probeerde Rachel aan haar haren uit de kast te trekken. Met mijn ene goede vleugel, wist ik hem zo’n rake tik te verkopen, dat hij even duizelde en omviel. Zo snel als we samen konden, kropen langs de man de kast uit en renden naar buiten. En we renden tot we geen adem meer over hadden. Steeds verder het veld in, steeds dieper de nacht in. Hier was even geen sprake van een engel die overal licht vindt, ik rende er juist vandaan.

Lang hielden we het niet vol. ‘Ik kan niet meer’, hijgde Rachel wanhopig. ‘We moeten ons ergens verstoppen, ergens waar hij niet gaat zoeken!’

De oude schuur achterin het veld stond er verlaten bij. Het leek me een uitstekende plek voor ons tweetjes. Twee verloren zielen met gebroken vleugels. Ik glimlachte om mijn plotselinge diepzinnigheid. Eenmaal binnen ging er een schok door mijn lijf. Rachel had hetzelfde. ‘Dit is de oude schuur van mama’, zei ze verrast. ‘Mam kwam hier altijd, om alleen te zijn. Kijk, hier ligt nog een van haar schorten.’ Ze pakte het stuk stof voorzichtig op en drukte het tegen haar neus. ‘Dit is mama’, zei ze en haar lip beefde een beetje. ‘Ze was zo lief en zacht. Als ik bij haar was, voelde ik me zo veilig.’

Met een kundigheid, die ik niet van mezelf kende, pakte ik de schort van Rachel over en vouwde deze handig om in een kussen. Ik keek wat verbaasd naar het resultaat.
‘Slaap jij maar lieve kind, kruip maar onder die rare vleugel van me.’
‘Wat een toestand’, dacht ik bij mezelf. ‘Ik ben een gevallen engel met een gebroken vleugel met een opdracht, die ik vergeten ben. Tegelijk heb ik het idee, dat ik precies daar ben, waar ik zijn moet.’ En met deze gedachte, viel ik in slaap.

We schrokken allebei wakker door het gekrijs van een baby. Godallemachtig, een baby? Ook dat nog?

De zenuwachtige vader – ik nam maar even aan dat het de vader was – frutselde onhandig met stro en oude doeken. De moeder lag uitgeput met de baby op haar buik tegen een baal hooi aan.
‘Hoe kom je er in vredesnaam bij om hier een kind te krijgen’, riep ik verbaasd uit.
De moeder opende haar ogen en glimlachte wijs. ‘In vredesnaam… Precies daarom.’
‘En wat doe jij in diezelfde naam met dat meisje onder je vleugel?’ zei de vader gevat.
Rachel zat bijna onophoudelijk in haar ogen te wrijven.
‘Ik, eh..wij..eh, wij zijn gevlucht,’ antwoordde ik.
‘Ja’, zei Rachel stoer. ‘Wij zijn gevlucht en op zoek naar een veilige plek. Dit leek ons een mooi begin.’

De baby hield op met huilen en wij keken elkaar in de onverwachte stilte wat onwennig aan. ‘In vredesnaam’, zei ik. ‘In vredesnaam.’ Er begon me langzaam iets te dagen. Iets over die opdracht. In godsnaam…dat zat er ook bij. En in hemelsnaam, die ook.
Ik keek van de moeder naar de vader naar de baby en toen naar Rachel.
Rachel, mijn meisje.
Ze pakte voorzichtig het hele kleine baby’tje van de moeder over. Het leek wel of ze licht gaf, zo gelukkig keek ze uit haar blauwe ogen.

Ik voelde dat het tijd was. Het was tijd om te gaan. Waarheen wist ik niet precies. Naar overal en nergens en onder en boven en binnenstebuiten. Ergens tussen de sterren. Mijn kind had haar bestemming gevonden, dat was de bedoeling. Ik had beloofd dat ik haar nooit alleen zou laten. Nu was ze gevonden. Door een baby in deze oude schuur. Het zou allemaal goedkomen…ooit…op een dag. In hemelsnaam, in godsnaam…in vredesnaam…

Je moet er een vleugel voor over hebben, maar dan heb je ook wat.