‘Jordaniërs zijn van nature gastvrij. Dit is ons lot.’

‘Jordaniërs zijn van nature gastvrij. Dit is ons lot.’

‘Opvang in de regio’: daar hebben wij het zo makkelijk over in onze discussies. Anna gaat op reis naar Jordanië om met eigen ogen te bekijken hoe vluchtelingen daar worden opgevangen. 

Ik verruil voor een paar dagen Jeruzalem voor de Jordaanse hoofdstad Amman, waar mijn reis begint. Ik ga op pad om met Syriërs en Irakezen over de vlucht uit hun thuisland en het leven in Jordanië te spreken. Twee miljoen vluchtelingen verblijven hier inmiddels, terwijl Jordanië zelf maar acht miljoen inwoners telt. Ik ben benieuwd hoe de Jordaniërs daar zelf tegenaan kijken.

fustinaIn Amman ontmoet de Irakese Farah voor de ingang van de Mar Yousuf-kerk, in de buurt van mijn hotel. Samen met haar twee dochters, Valentina van zeven en Fustina van vier, wacht ze tot de mis begint. De meisjes zien er prachtig uit in hun roze rokjes en met de roze strikken in hun haar. Ze wonen hier nog geen jaar, vertelt Farah. Op de vlucht voor IS verliet ze met man en dochters het Iraakse Mosul voor een anderhalfjarig verblijf in de Koerdische hoofdstad Erbil. Omdat familieleden al naar Jordanië waren gevlucht, besloten zij vorig jaar hetzelfde te doen.

In Irak werkte Farah als civiel ingenieur, haar man was eigenaar van een supermarkt. In Jordanië is er geen werk voor ze. Het gezin teert op een laatste restje spaargeld en wacht op goedkeuring van een asielaanvraag in Australië. Op de vraag of ze misschien ooit kunnen terugkeren naar Mosul, geeft Farah heel beslist antwoord. ‘Nee, onmogelijk. Ook als IS weg is, blijft het daar te gevaarlijk voor ons als christelijke minderheid. Misschien kunnen we zelfs helemaal nooit meer terug naar Irak.’ De mis begint, de roze meisjes zijn al binnen.

Thee drinken in een tent

De volgende dag reis ik naar het noorden van Jordanië. Ik bezoek de provincie al-Mafraq, die aan Syrië grenst en waar veruit de meeste vluchtelingen verblijven. Net buiten het beruchte Za’atari-vluchtelingenkamp staat een huis met drie verdiepingen en een plat dak. De fotografe die met me meereist, wil erop klimmen om een goede foto van het vluchtelingenkamp te kunnen maken. Ik zie het wiebelige trappetje dat naar het dak leidt en besluit dat ik er verstandiger aan doe om even beneden te wachten. Als ik om me heen kijk, zie ik vlak bij het huis een tent staan waar twee meisjes met een blonde peuter aan het spelen zijn. Ik loop naar ze toe en begin in het Arabisch tegen ze te praten. ‘Kom maar binnen, hoor’, klinkt het vanuit de tent. ‘Nou toe dan, kom even thee drinken.’ De moeder des huizes praat tegen me alsof ik al jaren haar buurvrouw ben. Ik ga naar binnen, waar ook de vader en nog twee andere kinderen zitten. De fotografe komt me al snel achterna. We gaan op een kussen op de grond zitten.

 

tent-dahaanVader Dahaan, een Syrische moslim van 37, vertelt dat ze drie jaar geleden vanwege het aanhoudende geweld uit Homs zijn gevlucht. De blonde peuter blijkt Sultan te heten, en is als enige van het gezin in Jordanië geboren. Hij heeft de mooiste wimpers die ik ooit heb gezien. Het gezin is afhankelijk van voedselbonnen, zegt moeder Kafah (32). Die zijn zo’n 66 dollar waard en daarmee krijg je vijf opgroeiende kinderen de maand niet door, verzucht ze. Of ze naar Europa zouden willen? ‘Nooit’, zegt Dahaan. ‘We wilden sowieso ons eigen land niet verlaten. Maar we hadden geen andere keuze.’
Sultan krijgt een appel van zijn moeder, die hij uiterst beleefd direct weer aan het bezoek aanbiedt. We praten over armoede, afhankelijkheid en het totale gebrek aan toekomstperspectief. En toch, de sfeer is opgewekt. Met de kinderen erbij is het zelfs gezellig in de tent.

Falafel en humus zijn ingeruild voor shoarma…

Een paar kilometer verderop, in de gelijknamige provinciehoofdstad van al-Mafraq, bezoek ik de Church of the Dormition of Theotokos. Hier heeft de gemeente geld ingezameld om les te kunnen geven aan vluchtelingenkinderen uit de buurt, moslims en christenen. ‘We zijn vier maanden geleden begonnen en we hopen dat we nog lang met dit project door kunnen gaan,’ zegt de 24-jarige medewerker Salaam. ‘Anders zitten er weer tachtig kinderen thuis.” Ze geeft ons een rondleiding langs de eenvoudig ingerichte klaslokalen.’

Salaam neemt ons mee naar het kantoor van de priester. We gaan zitten en krijgen een pakje vruchtensap en koek in onze priesterhanden gedrukt. Als ik de priester naar de situatie met de vluchtelingen vraag, begint hij opgewekt. ‘Ach ja, voorheen stond hier falafel en humus op het menu en nu is het shoarma’, verwijst hij naar de verschillen in de lokale Jordaanse en Syrische keuken. Dan serieuzer: ‘Eerst telde onze stad 60.000 zielen, dat aantal is nu verdubbeld. We staan onder enorme druk. Maar Jordaniërs zijn van nature gastvrij. Dit is ons lot.’

Ongemakkelijk op m’n stoel

Het woord ‘Europa’ valt. Het Jordaanse gezelschap reageert wat lacherig, begrijpt niet goed waarom wij naar verhouding zo weinig voor de vluchtelingen doen. Nederland nam 47.000 Syriërs op, in Jordanië zijn er anderhalf miljoen. En dan zijn de Irakezen nog buiten beschouwing gelaten. Ik begin een beetje ongemakkelijk op m’n stoel te schuiven. De priester geeft me een ‘daar kan jij natuurlijk ook niets aan doen’-blik. Maar ik schaam me.

De Jordaniërs zijn boven zichzelf uitgestegen, hebben meer gegeven dan ze hadden. In Nederland ontsteken we in hysterische woede als er een asielzoekerscentrum in ons dorp dreigt te komen. Niet dat Nederland maar even die miljoenen vluchtelingen had moeten opnemen, maar het zou een leugen zijn te beweren dat we alles hebben gedaan wat we konden. En dat weten de Jordaniërs.

Grote foto: In het Za’atari-vluchtelingenkamp in Jordanië worden ruim 80.000 vluchtelingen opgevangen.