Onbarmhartig licht

Onbarmhartig licht

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Onbarmhartig licht – Woensdag 25 januari 2017

Het is nog stikdonker. De dagen worden langzaam langer maar nog te langzaam naar mijn zin. Ik verlang weer naar de vogeltjes die het lezen en schrijven en opnemen begeleiden, waarvan luisteraars dan zeiden dat de woorden van de podcast een mooie achtergrondruis vormden bij het gekwinkeleer van de vogeltjes.

Maar het licht komt. Tenminste, dat belooft Jesaja in een wat andere context. ‘Ik zal je maken tot een licht voor alle volken,’ schrijft Jesaja vanochtend over Israël of over de Messias of allebei, ‘dat de redding die ik zal brengen tot aan de einden der aarde reikt. Koningen zullen dit zien en opstaan, vorsten buigen diep voorover.’ En dat in een tijd waarin men in de nabije omgeving van het Joodse volk wel iets wist van die God van hen, maar Abraham echt niets te maken had met leeftijd, kerst gewoon een bomenfeest was over heel de wereld en de zon werd aanbeden.

Onvoorstelbaar ongeloofwaardig in die tijd dat wat we nu zien (bijbel best verkochte boek) waar zou zijn. Zij konden zich de boekdrukkunst niet voorstellen, maar al helemaal niet dat hun Tora op nachtkastjes en in lemen hutjes in allerlei bizarre talen over heel de wereld zou zijn verspreid. Dat is geen triomftocht, want het volkje Israel is nog steeds aan het strugglen om te overleven, maar het is er wel degelijk.

Er is iets met dat licht uit Jesaja, want het lijkt een beetje pijn te doen aan de ogen in de andere lezingen van vanochtend. Een kenmerk van het type licht dat mij scherp moet houden, licht is niet de zachte kaars alleen, met brommende monniken verzameld in monotone eenzang waar kerkvolk in meewiegt en een enkele kunstenaar of ondernemer zielerust vindt midden in zijn burn-out. Het is onbarmhartig licht.

Te beginnen met Johannes de Doper, voorloper van Jezus van Nazareth. Hij zegt tegen koning Herodes, (daar heb je die koning uit de profetie) dat hij niet met zijn schoonzus mag trouwen. De koning is gefascineerd, de schoonzus in kwestie is laaiend. ‘Sindsdien’ staat er ‘had Herodias (de schoonzus) het op hem gemunt en wilde ze hem uit de weg ruimen, maar ze kreeg er de kans niet toe. Herodes had ontzag voor Johannes (hier dat opstaan van koningen uit Jesaja) omdat hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man wass. En hij nam hem in bescherming. En dan – let op – hoewel hij altijd in grote onzekerheid verkeerde als hij naar hem geluisterd had, bleef hij hem graag horen.’ Dat doet dat licht blijkbaar. Koningen staan op, gaan ijsberen, zijn in verwarring en het blijft hen bezighouden. En die Johannes de Doper blijft zijn leven maar wagen, want een terechtstelling is zo gebeurd. Het is niet veel later dat het hem de kop zal kosten, aangeboden op een schotel aan de koning.

Paulus is ook van dit licht. Dat schelle, onbarmhartige. Hij schrijft aan een van de kerkjes die deels uit niet-Joden bestaat die toch iets met die Joodse God willen – toen nog heel vreemd en moeilijk want Jood worden was een enorme klus, inclusief besnijdenis en eetwetten en alles.

‘Toen Kefas, dat is Petrus, in Antiochië was heb ik me openlijk tegen hem verzet want zijn gedrag was verwerpelijk’ De grote Paulus die de grote Petrus uitkaffert in een openbare rondzendbrief. Dan kun je zeggen: nou weten we ook waar die kerkscheuringen en die haat en nijd vandaan komen. Wat ik leuk vind is dat er geen enkel respect is voor autoriteit en geen poging tot gladstrijken. Gewoon aan het licht, hij vond Petrus’ gedrag verwerpelijk. Punt. Waarom? ‘Hij at altijd met de heidenen (dat is een ding voor de Joden, dat mocht dus echt niet van de tijdgenoten) maar toen er afgezanten van Jakobus waren trok hij zich terug en at hij opeens uit angst voor de voorstanders van de besnijdenis.’ Snoeihard schetst Paulus het beeld van een Petrus met het bord op schoot, een beetje schutterig, nee nee, ik eet vandaag alleen, jongens. Zomaar. Even rust aan mijn hoofd. Ah hallo joodse tijdgenoten, ja ik eet alleen, zie je wel, keurig hè.

Auww. Wat doet Paulus, het helder licht, in aanwezigheid van alle anderen, ontmaskert hij Petrus: Jij bent een Jood, maar je leeft als een heiden (en dat is geen verwijt hè, dat doet Paulus in zekere zin ook en bewust want die scheiding is weggevallen) en je houdt je niet aan de Joodse gebruiken.’

Onbarmhartig licht.

Een tirannieke koning, type Erdogan, Poetin en erger, wijzen op zijn morele fouten en daarvoor de gevangenis ingaan maar het blijven zeggen. Het verwart de koning, en intrigeert. Paulus die Kefas even publiekelijk ontmaskert om de boel op scherp te zetten.

Het is duidelijk geen waszachte kaars dat licht dat de wereld overgaat. Onbarmhartig, ontmaskerend. Maar er is weinig vrijer dan ontmaskerd zijn, dat dan ook wel weer. Er is barmhartigheid in het onbarmhartige licht, voor wie zich wil laten kennen. Wie het falen erkent, wie de kwetsbaarheid toont. De Petrus die zegt: Je hebt gelijk Paulus, i fucked up. Dank je wel. De koning die zijn moordlustige vrouw de deur wijst met ‘hij heeft ergens gelijk weet je’. Onbarmhartig licht, zacht voor iedereen die toch al niet zijn falen kon verbergen, hard voor iedereen die het nog probeert, opdat het aan het licht komt. Omdat het vrijmaakt, die waarheid. Niet die absolute waarheid van christenen of wetenschap, maar die ontmaskerende waarheid waarvan je alleen kunt zeggen: ik haat het dat je gelijk hebt, dat het aan het licht is, maar dank je wel.

 Jesaja 49:1-12

Galaten 2:11-21

Marcus 6:14-29