Nu al moe?

Nu al moe?

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Nu al moe? – PopUpGedachte dinsdag 10 januari

Het jaar is net begonnen, de meesten van ons komen fris uit hun vakantie gerold en hebben er zin in. Er zijn er ook voor wie de vakantie geen vakantie was, voor wie het nieuwe jaar begint met de tong op de schoenen maar voor iedereen komt dat moment dat je denkt: nu al moe? En ik moet nog zoveel. Ik moet nog zolang.

Jesaja schrijft vanochtend verder aan zijn oude dichtregels. Er staat: ‘ook wie jong is, wordt moe en raakt uitgeput en jonge mannen (en vrouwen, verwacht ik maar op de een of andere manier zijn ze duizend jaar voor Christus een tikje masculien bevooroordeeld), en jonge mannen kunnen zeker bezwijken.’

Vanaf dat ik een jongetje van 13, 14 ben doe ik iets met vechtsport, begonnen met judo, later intensief karate. Ik hield van de explosiviteit, de schoonheid, de actie. Toen een Russische asielzoeker wat vaker bij ons thuis kwam – ik woonde bij mijn ouders – en hij een specialist bleek in een Russische vechtstijl, wilde ik daar natuurlijk alles van weten. We trainden thuis in de woonkamer van mijn ouders, soms in het bos. En hij had fundamentele kritiek op al die Oosterse vechtsporten, hij zei: je moet daar fit voor zijn. En er komt altijd een moment dat je een fitter iemand tegen het lijf loopt. Zijn vechtstijl was bedoeld om te winnen – of te overleven eigenlijk – in welke situatie dan ook. Vanuit een rolstoel, met een gebroken been, een manier van vechtsport die niet meer afhankelijk was van je fysieke fitheid want ‘zelfs jonge mannen en vrouwen worden moe en raken uitgeput’.

Zolang wat ik doe en geloof nog afhankelijk is van de hoeveelheid fitheid van mijzelf, van mijn energie, van mijn werk, van mijn succes, is het een zwak, schlemielig geloven. En dat is het ook. Wat zou ik nog moeten als ik niet meer de energie had om mensen te verzamelen rond tafels met brood en wijn, als ik niet meer de tegenwoordigheid van geest had om verhalen te verbinden aan het dagelijks leven, ik kan de paniek al voelen opkomen bij de gedachte dat ik niet meer zou kunnen praten – of zou kunnen denken. ‘Als ik niet meer toerekeningsvatbaar ben, niet meer de controle heb over mijn denken en doen, geef me dan maar een spuitje’ zeggen velen in onze samenleving. We weten dat het gaat gebeuren, dat controleverlies. We weten dat het er in zekere zin bijhoort, maar we weigeren het. Ik weet dat er momenten zullen zijn waarop ik het niet meer weet, niet meer bij elkaar kan denken – en toch is zoveel van mijn welbevinden gebaseerd op dat wat ik kan bijdragen.

‘Jonge mannen en vrouwen kunnen zeker bezwijken’ en dat heeft die oude profeet goed gezien.

‘maar’ gaat hij verder ‘zij die hopen op de Heer vernieuwen hun kracht, zij lopen en worden niet moe en rennen en raken niet uitgeput’.

Dat is wat ik wil. Een bron die heel weinig te maken heeft met de energie die ik op tafel leg, die energie die op z’n hoogtepunt is midden twintig en daarna alleen nog maar afneemt. Ik zoek die energie die pas begint als ik het zelf niet meer trek. Die momenten dat je tegen je vrienden zegt, dat je erdoorheen zit en dat je gedragen wordt – en dan pas realiseert dat ze er altijd al waren maar dat je er nooit op durfde leunen.

Paulus zegt vanochtend ‘Moge hij u de ogen van uw hart verlichten zodat u zult zien waarop u hopen mag nu hij u geroepen heeft.’ Je bent geroepen. Als in: op de schouder getikt en gevraagd of je deel wil uitmaken van die hoopvolle beweging, die geeft om de wereld, om de ander, om de mensheid, die heeft leren treuren om onrecht en zich verzetten tegen het donkere egoïsme en de angst. Je bent geroepen en nu bidt Paulus dat de ogen van je hart verlicht mogen worden. Dat je het ziet. Dat je ziet ‘hoe overweldigend groot de kracht is voor hen die geloven,’ zo zegt hij.

Er is een energiebron die niet meer afhankelijk is van mijn welbevinden. Die Etty Hillesum middenin een concentratiekamp de kracht geeft om gebroken en wel iets van liefde, licht en zorg te zien en te geven. Een energie die de opkomende het-komt-nooit-meer-goed-paniek afneemt van mensen die gevallen zijn en hen de ogen opent voor de kleine tekenen die er ook zijn, kleine tekenen dat er om hen gegeven wordt, dat ze belangrijk zijn.

Vaak vind ik iets van die krachtbron pas als ik er totaal doorheen zit. Dan pas vraag ik hulp, zoek ik verbinding, pas bij tegenslag constateer ik hoeveel lieve mensen er om me heen zijn. Als ik dat ook zou kunnen zien als het nog niet nodig is, dan hoef ik niet meer uitgeput te raken, dan hoef ik niet meer te bezwijken, dan kun je blijven lopen en niet moe worden. Niet echt. Ik hou van die gedachte en bedank Jesaja, Paulus en wil leren leunen, ‘hopen op de Heer’ zoals Jesaja zegt, vertrouwen dat er iets is dat draagt, dat niet loslaat, gewoon omdat het de bedoeling was dat ik er zou zijn. En jij.

Jesaja 40:25-31

Efeziërs 1:15-23

Marcus 1:14-28