Niet van een vreemde

Niet van een vreemde

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

We hebben het niet van een vreemde – PopUpGedachte vrijdag 20 januari

Er flonkeren sterren aan de zwarte hemelkoepel. Niet al teveel, de stadsverlichting zorgt dat de meeste puntjes onzichtbaar blijven. Een felle halve maan zorgt dat alles in een wit-koude sfeer is gehuld. Oneindig is de diepte van de nacht, de afstand daarboven, daarbuiten, rondom. Ik sta op mijn balkon en tuur de diepte in, de hoogte, de verte.

‘Niet als chaos schiep hij de aarde, maar om te bewonen heeft hij haar gevormd’ schrijft Jesaja vanochtend. Het kan er weliswaar chaotisch aan toegaan op onze planeet, maar dat is niet de kern van de zaak. Orde en structuur, diepe regelmaat, overal herkenbare patronen, dat is de ziel van de planeet. De gelijkmatige afstanden tussen nerven op een blad, de gulden snede verhouding – ik weet niet exact wat het is maar het heeft iets met ideale maten te maken – een verhouding in maten die opduikt in de architectuur, in vingerkootjes, in bloemkolen. ‘Niet als chaos schiep hij de aarde’ – en waar je ook in gelooft, oerknal, evolutie, design, dat is niet zo relevant. Dit is wat we zien. Niet als chaos. En niet alleen de aarde trouwens. De sterrenstelsels, hun samenhang. De astronaut die altijd veranderd terugkeert, spiritueler, ecologisch bevlogen, gelovig in zekere zin. Omdat hij het groen-blauwe planeetje heeft zien zweven in de ruimte.

‘Niet als chaos schiep hij de aarde, maar om te bewonen heeft hij haar gevormd’. Bewoning vraagt om regelmaat, rust, reinheid, iets van structuur. Zoals het opruimen van je kamer of het huis weer ademruimte geeft, zo is de planeet gevormd en moeten we soms opruimen: Ons leven, onze samenleving, weer inrichten naar de structuur zoals die gegeven is. ‘Ik heb niet in het verborgene gesproken, ergens in een duister oord, ik heb niet gevraagd: ‘zoek mij in de chaos’, nee ik ben de heer.’ In de nerven van bladeren komt het verhaal ons tegemoet, in de verhouding van winter, herfst, lente, zomer, in bloemkolen en vingerkootjes.

Daarom kan zo’n christelijke religie nooit zijn eigen godje hebben. Als een soort beschermengel, waarvan je dan gelooft dat die voor je zorgt als je binnen de lijntjes loopt. Kerkbezoek als een soort bezwering, een prive-geloof. Dat hele joods-christendom is een zoekend verkennen, een blinde die de braille van de wereld verkent en tot ontdekking komt dat er iets geschreven staat, niet alleen in die teksten, maar in alles. Dat elk blad, elke windvlaag een braillecode is die iets wil zeggen. Die iets fluistert over een zorg, aandacht, structuur, vormgeving. Daar is het christendom naar op zoek. Niet naar een manier om er zelf goed van af te komen of een godje voor zichzelf zodat in de chaos van de wereld je er zelf wel goed van afkomt. Het is een zoekend tasten naar de zin van het alles. En dat moet dus in verbinding met iedereen. Het gaat over iedereen. Niemand kan het voor zichzelf claimen. Niemand heeft het. Je kunt hoogstens jezelf toewijden aan het zoeken, en een soort vinden of gevonden zijn ervaren.

‘Keer terug naar mij’ is hoe Jesaja vervolgt, ‘zoek, keer om, laat je redden. Ook jullie aan de einden der aarde, want ik ben God en er is geen ander.’ Het woord God is vervuild, het staat automatisch voor ‘jouw god’ en ‘mijn god’. Een idee-fixe, een hobby, een bezwering. Het gaat om die onnoembare bezieling, dat ene. Dat mysterieuze en de verwondering. Waar iedereen door leeft en ademt.

Als Paulus in het kerkje in Efeze slaven en meesters toespreekt (slavernij is daar nog niet per se zo godgeklaagd als in onze koloniale tijd is geweest) zegt hij tegen de meesters: ‘laat dreigementen achterwege en weet dat zij en u dezelfde heer in de hemel hebben, dat hij geen onderscheid maakt.’ Het lijf van slaaf en meester vertoont dezelfde kenmerken, de ziel eveneens, er is een tijdelijke rol, maar de maker maakt geen onderscheid. En dat is geen vreemde boodschap, je kunt het zien in elke nerf van de huid, in elke vingerafdruk spreekt dat verhaal, in elke oogopslag: ‘Er is geen onderscheid.’ Hoe fijn het ook is om onderscheid te maken, het is er niet.

En als in de derde tekst de leerlingen van Jezus op het meer van Genesaret, een onberekenbaar stuk water waar felle stormen ineens huizenhoge golven kunnen doen ontstaan, uit het niets, roepen de leerlingen tegen hun rabbi middenin die chaotische, moordlustige, smerige storm: ‘meester kan het u niet schelen dat we vergaan?’ De man sliep nog namelijk. Vreemd en onmogelijk maar wat er vervolgens gezegd wordt is fascinerend: ‘waarom hebben jullie zo weinig moed, geloven jullie nog steeds niet?’

De moed om te geloven dat niet de chaos het laatste woord heeft, maar dat de ziel van de wereld zoals die tot ons komt in alles wat we aanraken, die onderdeel is van elke in- en uitademhaling, dat die ons zoekt, jou en mij vraagt om hoop te houden, om lief te hebben en de structuur terug te brengen, om op te ruimen, leefruimte te creëren met elkaar voor elkaar. Rust, reinheid, regelmaat en verzet tegen chaotische krachten, verzet tegen mensen die onderscheid maken. Dan legt de rabbi de zee stil, want zijn leerlingen geloven nog steeds niet. Fair enough, niet onlogisch, en hij brengt even stilte. Als teken. ‘Wie is hij dat zelf de wind en het meer hem gehoorzamen, fluisteren de leerlingen. Dat de chaos zich terugtrekt, de wereld de stem herkent. Ja, wie is hij, wie is dat?