In tijden van onrust

In tijden van onrust

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

In tijden van onrust – PopUpGedachte 10 februari 2017

De natuur is rustig, koud en stil. Zij heeft het allemaal al eens gezien. Meerdere malen. Zoveel mensenlevens hebben haar kringloop al doorleefd, zoveel generaties met hoop, angst, vreugde, woede, voor- en tegenspoed heeft zij al zien komen en gaan. De koude nacht is er niet van onder de indruk, maar de warmbloedige mens leeft. Onstuimig, hoopvol, depressief, kil of betrokken. Vasalis, de dichter (of moet je dichteres zeggen, dat weet ik dan niet he?) schreef deze regels die zich vast hebben gezet: ‘Ik droomde dat ik langzaam leefde, langzamer dan de oudste steen, het was verschrikkelijk, om me heen, schoot alles op, schokte en beefde. Ik zal hoe de bomen zich uit de aarde wrongen, hoe ze hees en hortend zongen, ik zag de tremor van de zee, haar zwellen en weer haastig slinken zoals een grote keel kan drinken.’ Ze eindigt het met iets als: goed, dat heb ik nu gezien, geweten, ‘maar hoe kan ik het ooit weer vergeten.’

De wereld draait, wij slingeren heen en weer tussen hoop en vrees. Ik denk op mijn slechte momenten dat 15 maart echt van wereldbelang is, op goede momenten besef ik dat wat er ook verkozen wordt, het slechts een fase is in de tijd. Een tijd waarin het mij gegeven is om trouw mijn weg te gaan. Dat was wel de rode lijn in de teksten deze week en een welkome lijn: in tijden van onrust trouw de weg gaan. En ook vanochtend nog eenmaal die gedachte.

Paulus zegt het tegen Timotheus: ‘Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren en bent van kindsbeen aan vertrouwd met de heilige schriften, die je wijsheid kunnen geven.’ Zo schrijft senior Paulus tegen junior-collega Timotheus en hij contrasteert dat met hoe de mensen zijn of zullen zijn: ‘de mensen zullen egoïstisch, geldzuchtig, zelfingenomen en arrogant zijn, harteloos, onverzoenlijk, lasteraars, onbeheerst, onbetrouwbaar, ziek van geest.’

Er gaat een rust uit van die jonge man met zijn boeken en zijn wijsheid, zijn leraren en zijn jeugd. De onrust van het onbeheerste, geldzuchtige, arrogante en lasterlijke, het ligt voor de hand dat we het zijn op een bepaalde manier: onbeheerst, uit op geld, arrogant of lasterlijk, dan wel kwaadsprekend. Het zijn oude neigingen, maar ze zijn onrustig. Alsof degene die het doet nog geen bodem heeft gevonden in het leven, geen vastigheid, geen bevestiging, geen rust.

Paulus duwt Timotheüs terug naar de wijsheid die hem is geleerd, ook hij zou de kranten dagelijks kunnen openslaan en schrikken van de heftige ellende, van de lelijkheid van mensen, kunnen juichen over de schoonheid van mensen en de liefde. Paulus wijst niet naar buiten, probeert niet te verklaren waarom mensen lelijk doen of te zeggen: kop op, er zijn er ook die hartstikke lief zijn hoor. Hij wijst hem terug naar de eigen wijsheid, de ziel, het onderwijs, de schriften, zoals hij het noemt.

In de evangelielezing is het ook onrustig. Jezus is onderweg naar Jeruzalem en men voelt wel dat het daar mis zou kunnen gaan: ‘De leerlingen waren ongerust en bang en ook de mensen die hem volgden waren bang. Jezus bevestigt dan rustig de terechtheid van de angst en vertelt dat hij gelyncht dan wel geëxecuteerd zal worden. Maar ook dat hij na drie dagen zal opstaan. Dat landt niet echt, het matcht te weinig met het voorstellingsvermogen en de verwachting. Een paar leerlingen proberen nog een goed plekje te veroveren voor de hel losbarst, dat ze links en rechts van hem mogen zitten in dat koninkrijk. Onderkoningen, zoiets. Woedend is de rest als ze het horen. Jezus pauzeert even en legt iets uit, hij gaat niet in op de onrust, op het feit dat er haat en woede hen te wachten staat maar hij zegt dit: ‘Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen en wie van jullie de eerste wil zijn zal ieders dienaar moeten zijn.’

Hij bezweert de angst en de onrust niet met een verklaring van de situatie, met uitleg of ‘het zal allemaal wel meevallen’. Hij bevestigt dat de angst terecht is, net als Paulus. De wereld is lelijk, soms, vaak, zo is het. De mens is dat ook, soms. Vaak. En wat je dan meekrijgt is een opdracht; ieders dienaar zijn. Dat is niet afhankelijk van omstandigheden, weer kijk je niet naar buiten, naar wat er allemaal gebeurt en wat dit betekent en of je kunt begrijpen waar het misschien wel heengaat. Geen voorspellingen, of anticipatie, maar trouw zelf het goede doen. In dit geval: dienen, kijken hoe je kunt dienen.

Jan de Cock, de tralietrotter reist naar een Russische gevangenis om zich ook daar een dag of wat te laten opsluiten. Eerst verkent hij de stad. Onderweg wordt hij beroofd en iedereen die weleens gerold is, weet hoe naar en leeg dat voelt. Hij merkt het pas als hij z’n boodschappen wil afrekenen. In zijn beste Russisch probeert hij duidelijk te maken dat hij bestolen is. Dan wordt hij aangetikt, een oude vrouw overhandigt hem 100 Russische Roebel. Ook dat is Rusland zegt ze. Hoe kan ik je bedanken, stamelt hij. Kom mee. En in haar armoedige huisje richt ze met haar man een feestmaal aan voor hem. Gewoon omdat het kan.

In tijden van onrust trouw het goede doen. Wijs. Dienend. En dan geloven dat dit voldoende zal zijn. Met soms een knipoog van boven of buiten als we het even niet meer geloven. Dat is het dan. Op de rust, de wijsheid en het onverzettelijke zoeken van het goede, juist in tijden van onrust.

Jesaja 61:1-9

2 Timoteüs 3:1-17

Marcus 10:32-45