Ja, onze God is geen pacifist en heeft bloed aan z’n handen…

Ja, onze God is geen pacifist en heeft bloed aan z’n handen…

Daan schreef al een aantal blogs over geweldloosheid. Hij kijkt dan vooral naar Jezus, zijn grote voorbeeld. Maar hij komt in de knel als hij kijkt naar God de Vader, die in het Oude Testament nou niet echt overkomt als pacifist.   

Als voorstander van geweldloosheid kan ik me makkelijk beroepen op Jezus, de man die zichzelf opofferde, stierf aan een kruis en de opdracht gaf onze vijanden lief te hebben. Het wordt alleen wat ingewikkelder als ik de rest van de Bijbel, en met name het Oude Testament, lees. God die de aarde onder water laat lopen om de mensheid te vernietigen, zijn volk de opdracht geeft tot genocides, een God voor wie het aanraken van een heilig voorwerp al genoeg reden is om iemand de doodstraf te geven.

Nee, God is bepaald geen pacifist.

Dimitri Verhulst heeft niet ver hoeven zoeken voor zijn roman Bloedboek. Ook voor Jeroen Pauw is het niet moeilijk om teksten te vinden als ondersteuning voor zijn uitspraak: ‘We weten allemaal wel, als je je een beetje verdiept, dat die boeken verschrikkelijk zijn, dat ze altijd oproepen tot geweld’. En als christenen naar het geweld in andere heilige boeken  wijzen, is dat op z’n zachtst gezegd nogal hypocriet.

Het Oude Testament uit je Bijbel scheuren is geen oplossing

Dat de Bijbelse geweldsteksten op weerstand stuiten, is niet nieuw. In de tweede eeuw al was er ene Marcion van Sinope die aanliep tegen dit probleem. Volgens hem kon de tirannieke God van het Oude Testament onmogelijk de vader van Jezus zijn. Zijn oplossing was radicaal, doch eenvoudig: het hele Oude Testament mag bij het grofvuil gezet worden. En ach, als we toch bezig zijn, kunnen we net zo goed ook het een en ander uit het Nieuwe Testament kieperen.

Marcion staat vandaag de dag bekend als een van de eerste ketters.

Het huwelijk tussen religie en geweld is niet in één specifiek heilig boek gesloten. René Girard – over wie ik al eerder iets schreef – trok op basis van zijn antropologisch onderzoek naar mythologieën en beschavingen een boeiende conclusie. Doordat mensen altijd willen hebben wat de ander heeft, zijn ze ongeneeslijk jaloers en gewelddadig. Willen ze enigszins succesvol een beschaving handhaven, moeten ze ergens terechtkunnen met hun conflicten en geweld. Gelukkig is er altijd wel een zondebok aan te wijzen, op wie de schuld van de hele gemeenschap wordt gelegd. Als dat gebeurt, is de harmonie weer even terug.

In den beginne was de moord

Hoewel deze zondebok door het collectief unaniem als de grote schuldige van alle ellende wordt beschouwd, zit tegelijkertijd in de moord of uitdrijving van dit zwarte schaap ook de weg naar redding en leven. De gemeenschap dankt haar vredige voortbestaan aan de zondebok.

Om dit zo te houden, verdraait de gemeenschap haar geschiedenis en schrijft die op in mythologieën; waarin de oorspronkelijke moord als een noodzakelijk rechtvaardige daad wordt gepresenteerd. Aan de zondebok wordt vervolgens een goddelijke status toegekend en aan hem moeten voortdurend offers worden gebracht om te voorkomen dat opnieuw de pleuris uitbreekt. Girard windt er geen doekjes om: in den beginne was de moord en uit de moord ontstond de religie.

De God met twee gezichten

Oorlog is de vader van allen en koning van allen; sommigen laat hij goden zijn, anderen mensen; sommigen maakt hij tot slaven, anderen vrij.
– Heraclitus, filosoof uit 5e eeuw voor Christus

Voordat de zondebok de redder kan worden, moet de massa het eerst unaniem eens zijn over zijn schuld. Anders werkt het niet. De tot god uitgeroepen zondebok zal daarom altijd die duistere, schuldige kant behouden in het collectieve geheugen van de gemeenschap.

De godheid heeft – net als de zondebok – twee gezichten. Het ene gelukkig en liefdevol, het andere kwaadaardig, wraakzuchtig en dreigend. Of het opperwezen je goedgezind of kwaadgezind is, hangt af van aan welke kant van zijn gezicht je staat. In de praktijk betekent dit vaak dat hij zielsveel van de mensen binnen (de religie, samenleving of cultuur) houdt, maar de mensen buiten het liefst in zijn toorn zou vernietigen.

Jezus komt met een verhaal waarin dit godsbeeld eraan moet geloven. Ironisch genoeg eindigt hij daarom zelf als zondebok.

Jezus citeert selectief profeet Jesaja

Het eerste publieke optreden van Jezus in het evangelie volgens Lucas (hoofdstuk 4) speelt zich af in de synagoge van Nazareth, de stad waar hij opgroeide. Hij loopt naar voren, rolt de boekrol open en leest voor uit Jesaja:

 

De Geest van de Heer rust op mij,

want hij heeft mij gezalfd.

Om aan armen het goede nieuws te brengen

heeft hij mij gezonden,

om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken

en aan blinden het herstel van hun zicht,

om onderdrukten hun vrijheid te geven,

om een genadejaar van de Heer uit te roepen.


Jezus rolt de boekrol dicht en gaat weer rustig op zijn plek zitten. Verwachtingsvol kijken de aanwezigen naar hem. Terecht. De tekst in Jesaja gaat namelijk verder:

…en een dag van wraak voor onze God.

Het is een beetje selectief dat Jezus dit niet leest. En om het nog erger te maken begint Jezus zijn rebelse gedrag te rechtvaardigen door zich te beroepen op twee andere profeten: Elia, die naar Sarepta ging om een heidense vrouw te genezen en Elisa, die Naäman – de generaal van de Syriërs (toen vergelijkbaar met een ISIS-strijder) – van zijn huidziekte afhielp. De mensen in de synagoge hebben genoeg gehoord. Massaal proberen ze Jezus te lynchen. En hoewel dat hier niet lukt, krijgen we een voorproefje van waar het uiteindelijk op uit zal draaien.

Het bloed aan de handen van God 

Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
– Jezus

Jezus ontregelt de luisteraars in de synagoge. En hij ontregelt mij ook. Want wie is God nou echt?

Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Maak van je brandoffers maar vredeoffers: eet zelf het vlees maar op! Toen ik jullie voorouders uit Egypte leidde, heb ik hun nooit iets gezegd of voorgeschreven over brand- en vredeoffers.
– Jeremia 7:21

De profeet Jeremia gaat hierboven in tegen het idee dat God ooit iets gezegd heeft over brand- en vredeoffers. Hoe kan hij dat zeggen? Hebben andere schrijvers zich dan vergist? Jezus kiepert het Oude Testament dus niet weg. Hij volgt een spoor dat van meet af aan al in de teksten lag. Hij staat juist in een belangrijke traditie van profeten en religiecritici. Zijn kritiek richt zich niet op het geweld van andermans religie, maar op dat van zijn eigen religie. Zoals een goed profeet betaamt.

De aloude vraag What Would Jesus Do?, blijkt maar weer eens relevant te zijn. Wat zou Jezus doen met geweldsteksten? En hoe zou hij reageren op christenen die in zijn naam het probleem bij een andere religie leggen? Ik kan me voorstellen dat hij veel hedendaagse religiecritici gelijk zou geven. En dat als hij de kansel zou bestijgen er wederom een schok zou gaan door de kerkzaal, net zoals tweeduizend jaar geleden in die synagoge.

Heeft God bloed aan zijn handen? Jazeker. Als er iets duidelijk wordt op het moment dat de man van Nazareth aan een kruis sterft, is het dat wel. Maar wiens bloed is het eigenlijk?


Daan schreef eerder over pacifisme als een principiële ethische keuze (waarop inmiddels een tegenstuk is geschreven), over de mythe van het bevrijdende geweld en over geweldloosheid als een actieve manier van leven.