Sophie: ‘Als ik nu ga voelen, komt het tot een ontploffing’

Sophie: ‘Als ik nu ga voelen, komt het tot een ontploffing’

‘Laat mij maar lamlendig op de bank mijn leven liggen te verdoen.’ Sophie was apathisch kort na haar scheiding. Voor alle emoties was nog geen ruimte. Op een leeg strand volgt de ontlading.

Het gekke aan scheiden is dat het voor de buitenwereld heel duidelijk is. Eerst zijn ze bij elkaar, dan niet meer. In werkelijkheid is er een soort fase waarin de hoop op heling voorbij is, maar het gescheiden leven nog niet begonnen is. Tenminste, zo was het in onze situatie. In dit schemerland van al wel en nog niet schreef ik een jaar geleden het volgende:

Eindelijk. Iedereen slaapt en ik zak op de bank met een glas wijn. Netflix gaat aan en ik laat weer kostbare uren voorbijgaan met het kijken naar een makkelijk-te-verteren serie. Ik had zoveel kunnen doen met mijn tijd. Opruimen, sporten, schoonmaken, schrijven, vrienden bellen of werk zoeken. Maar het kan me allemaal niks meer schelen. Laat mij maar lamlendig op de bank mijn leven liggen te verdoen.  

Ik wacht. Ik wacht tot hij eindelijk actie onderneemt om daadwerkelijk bij me weg te gaan. Wellicht is hij net zo lamgeslagen als ik, want er gebeurt niks. En terwijl ik wacht, voel ik me langzaam wegzinken in apathie, lusteloosheid en een vermoeidheid die niet met slaap op te lossen valt.

Ik moet ook wachten. Want rouwen om wat voorbij is, gaat heel lastig met die persoon nog naast me. Ik voel dat ik nog niet mijn eigen plan kan gaan trekken, omdat hij nog steeds betrokken is bij het dagelijkse leven.

In deze schemertoestand ben ik vooral bezig om mijn emoties onder controle te houden. Om vooral niet te veel na te denken. Omdat ik daar misschien wel bozer of verdrietiger van word dan ik wil, of toe wil staan met kleine kinderen om me heen.

Maar nu kan ik nergens heen met mijn emoties. Ik heb het idee dat als ik nu begin met voelen, dat er dan een ontploffing komt. Dat ik er dan niet meer overheen kom. Het is te rauw, te vers, te pijnlijk om mee bezig te zijn. Is dat logisch? Misschien niet. Maar zolang ik in het schemer leef tussen een relatie die er nog is, maar die ook al voorbij is, is dat wel de realiteit.

Geloven kon me even niet zo boeien

Als ik terugkijk op deze periode was ik ook apathisch ten opzichte van God en geloven. Het kon me allemaal even niet zoveel boeien. De kerkdiensten gingen langs me heen. Heel soms raakte een lied mij, zoals de regel uit het Liedboek 938:

Met mijn bestaan op drift, met mijn gemiste kansen,
mijn schaamte en mijn spijt, mag ik mij daar verschansen.

Veel vaker kwam ik niet aan rouwen toe. Want ik durfde niet de chaos van mijn gedachten te zoeken, bang voor een explosie.

Pas in de rust kwam de ontploffing

Pas toen ik een week lang stilstond en tijd nam om tot rust te komen, kwam er een gecontroleerde ontploffing. Zo eentje als je bij een verdwaalde bom uit de Tweede Wereldoorlog die onschadelijk wordt gemaakt. Mijn gecontroleerde ontploffing was helemaal alleen op het strand. Met niemand anders om me heen dan God.

Sindsdien klinkt het zinnetje van Augustinus: ‘Onrustig is ons hart, tot het rust vindt in U’ met enige regelmaat in mijn hoofd. Niet dat ik die rust altijd vind of begrijp, maar daarover een andere keer meer. Voor nu weet ik, dat ik uit de apathie kwam door zelf actief stappen te nemen en niet te wachten op de ander. En uiteindelijk vond ik zelf pas rust, toen ik het zocht bij God.