De wonderschone eis om stil te staan

De wonderschone eis om stil te staan

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Het is vroeg. De lichte luchten van de afgelopen weken zijn weer donker. Met de start van de zomertijd zit ik een uur eerder aan de tafel, een uur eerder in de teksten en we zijn weer een stuk teruggeworpen de nacht in. Weer in afwachting van het licht, zonder het te zien. Gelukkig tetteren de vogels er op los in bomen en binnentuinen, zij zijn vol vertrouwen. Het licht komt zo.

Vanochtend lees ik de harde eis van Jahweh, die God van de Joden zo lang geleden, een harde eis om niet te werken, om een dag niets te doen. En ik heb een geschiedenis van opgroeien in een kerk, het verbod van ijsjes op zondag, saaie lange dagen waarop er maar weinig gedaan mocht worden, behalve naar de kerk gaan. Maar als ik dat even loskoppel van wat hier gezegd wordt in de tekst, is het eigenlijk absurd. In plaats van de mens aan te zetten om nu eindelijk eens wat te gaan doen en van de luie kont te komen, eist de Maker van de Wereld dat de mens tenminste een dag stil staat.

‘Als jullie naar mij luisteren – spreekt de Heer – en op de sabbat geen goederen door de poorten van deze stad naar binnen brengen en niet werken, dan zal deze stad altijd bewaard blijven.’

Op die ene dag in de week, niet sjouwen met spullen, niet kopen en verkopen, niet in je levensonderhoud voorzien, niet je verantwoordelijkheid nemen, niets. Zitten, wachten, praten, wijn drinken, brood breken en vertrouwen. Want dat is wat ongemerkt de deur uit glipt als we maar blijven werken. Vertrouwen. Daarom eist de Maker van de wereld rust. Hij eist geen werk, hij vreest geen luiheid, tenminste: hij vreest luiheid minder dan overwerktheid. En ik denk dat het klopt, dat er meer mensen in onze samenleving kapot gaan aan te veel werken dan aan te weinig werken.

Ik wil graag die rust en ik werk om te kunnen eten, zodat er voldoende brood op de plank is en ik rust daarover heb. Gek genoeg is het niet zo heel gauw voldoende, denk ik bij brood op de plank vandaag aan het brood op de plank voor morgen en als dat is geregeld denk ik aan mijn pensioen. En ik werk. Zodat ik rust heb, straks. Maar elke keer als ik rust zou kunnen nemen, zou ik ook nog kunnen werken om mijn rust verderop in dit leven te garanderen. En hop, daar gaan we weer. Toch nog maar die mail, dat opdrachtje, die transactie. Gewoon even doen, net zo makkelijk.

Ik begin meer en meer te voelen voor die door God opgelegde rust. En te beseffen dat het een vreemde godheid is die eist dat ik stil ga zitten. Als harde opdracht. Houd nou eens een dag op, in het leven. Als oefening. Niet omdat ik je anders ga frituren in de hel, maar omdat je anders kwijtraakt wat je zo hard zoekt. Omdat je anders precies doet wat je eigenlijk niet wil, maar het niet ziet omdat je van alles aan het doen bent. Maagzweer, kom er maar in.

Paulus zegt het zo vanochtend: ‘Wat ik doe doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet.’ Ik hoor het idee van een dag rust meenemen omdat we mogen vertrouwen dat er voor ons gezorgd wordt, dat wij de wereld niet hoeven redden maar dat wij – als wij ons laten inschakelen met alles wat we hebben – deel kunnen zijn van de redding van de wereld,  dat ik nu me kapot kan werken om rust te garanderen voor later, maar dat het misschien handiger is om alvast rust te nemen? Dan haal ik dat later misschien ook nog zonder uitgewoond lijf en kapotgepiekerde geest. We vinden dat een goed idee, maar in ons handelen zien we een andere wet: nog even snel deze popupgedachte af, dan door naar Den Haag, morgen nog een lezing, even nog vijftien dingen tussendoor en wel de social media blijven bijwerken. En ik vertel mezelf dat het geen werk is, dat het fijn is om alvast gedaan te hebben anders zit de werkweek zo vol. En het is onzin, ik wilde eigenlijk rust, maar ik doe niet wat ik wil, ik doe wat ik haat. En daarom dat gebod. Ooit.

Jezus van Nazareth wordt door drommen mensen gevolgd en zegt: ‘U zoekt me niet omdat u wonderen hebt gezien maar omdat u brood hebt gegeten en verzadigd bent.’ Dat is wat ik zoek in die stilte. Verzadiging. Daar moet die ene dag in de week, dat symbolische neerleggen van je werk ruimte voor scheppen: verzadiging. Meer werk maakt hongerig naar meer werk, meer geld maakt hongerig naar meer geld, meer goed eten maakt dat ik vaker meer goed wil eten. Maar Jezus van Nazareth brengt verzadiging. Het genoeg. Het is goed zo. En dat begint met stilzitten, niet werken, niet regelen, niet toe-eigenen. Maar zien wat er is. Hoeveel er gegeven is. En dat het voor jou er is. Die vogels, die zon die straks weer deze kant van de aardbol opwarmt.

Sabbat. Elke dag een beetje en een dag symbolisch helemaal: om niet te vergeten. Ik ga er maar weer eens werk van maken, van dat niet-werken. Om het vertrouwen weer te leren en verzadiging te voelen. Zoals je dat alleen gegeven kan worden. Om niet.

Jeremia 17:19-27

Romeinen 7:13-25

Johannes 6:16-27