God zag wel dat het goed was, maar wat deed de mens daarmee?

God zag wel dat het goed was, maar wat deed de mens daarmee?

God schept de dingen. Jezuïet Dries van den Akker en predikant Bettelies Westerbeek lezen het eerste hoofdstuk van de Bijbel.

Een nieuwe serie in de zoektocht: nooit zo gelezen. Theologen – orthodox, vrijzinnig, protestant, katholiek –  lezen aloude Bijbelverhalen. Ook een rabbijn doet mee. Als dit niet de joods-christelijke traditie is… Per aflevering verwerken twee verschillende schrijvers hetzelfde verhaal op geheel eigen wijze.

God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was.

– Genesis 1

Dries: 

‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ Gebruikelijke vertaling van de eerste zin van de Bijbel. Die vertaling heeft voor heel wat misverstanden gezorgd. Ze wekt de suggestie dat er over het verleden verteld wordt. Maar het gaat over de actualiteit. Eigenlijk staat er: ‘Van begin af aan heeft God met ons een relatie onderhouden’. Hij heeft ons een land geschonken om te bewonen. Dat land en alles wat het te bieden heeft: het is zijn geschenk aan ons, zijn mensen. Wij nemen dan ook de voornaamste plaats in.

De mens is het belangrijkste. De dichter van het scheppingslied maakt dat duidelijk op verschillende manieren. Eerst brengt God scheiding aan tussen de hemel en de aarde. Vervolgens brengt Hij scheiding aan tussen de wateren boven de hemel en de wateren eronder. Tenslotte brengt Hij scheiding aan tussen het water en het droge. Dan ‘maakt’ Hij de levende wezens: elk naar zijn soort. Planten en bomen naar hun soort; tamme dieren naar hun soort; wilde dieren naar hun soort, en tenslotte de mensen naar hun soort…

Nee, naar zijn beeld en gelijkenis! Bij alles wat God ‘maakt’, ziet Hij dat het goed is; maar als Hij de mensen heeft gemaakt, ziet Hij dat het zéér goed is. De mens is het hoogtepunt van zijn schepping. Zijn evenbeeld. Dat wil zeggen, als de mensen zich gedragen zoals Hij: wanneer zij de wereld met liefde beheren en beschouwen als een kostbaar geschenk.

Een danklied voor de goede God

Het scheppingsverhaal is een lied. Dat kunnen we afleiden uit al de herhalingen en refreinen die erin te horen zijn: ‘En God sprak… En God sprak…’ Enzovoorts. ‘Het werd avond en morgen, de eerste dag. Het werd avond en morgen, de tweede dag…’ Enzovoorts. ‘En God zag dat het goed was. En God zag dat het zéér goed was.’

Het lied werd gecomponeerd in ballingschap. Toen men uit eigen land… uit het door God gegeven land verdreven was; en ver weg in slavernij verkeerde. Daar dacht men terug aan het vaderland als was het een paradijs. Dat werd het Lied van de Schepping. De cultuur die hen gevangen hield, beschouwde de hemel, de zon, de maan, de bomen en de dieren als godheden die je angstig moest aanbidden om ze te vriend te houden. Ja, soms gingen ze zover dat ze hun kinderen eraan opofferden. Die lui beseften niet dat dit alles een geschenk was van God, onze God, die van begin af aan met ons een relatie onderhoudt.

De mens moest werken en de mens liet zich gelden

Bettelies:

Van de twee scheppingsverhalen die we in de Bijbel kunnen lezen, is het eerste mijn favoriet. Het mooie lied waarin de aarde ritmisch tot leven komt, met als hoogtepunt de creatie van de mens: mannelijk en vrouwelijk hier gewoon tegelijk en lijkend op God.

De mensen krijgen van God de aarde cadeau om in zijn beeld de wereld te bevolken, van haar te genieten en ervan te eten. Maar ook om te heersen en de aarde onder hun gezag brengen: de mannen en vrouwen van God worden aan het werk gezet.

Werk, wat we serieus hebben genomen. We hebben ons steeds meer laten gelden en de tijd waarin we nu leven wordt dan ook wel het antropoceen genoemd. Het tijdperk waarin niets zoveel invloed heeft op de staat van de aarde als de antropos: de mens.

De aarde heeft troost nodig

Maar ook werk waar we niet heel goed in zijn. Want los van de mens heeft de rest van de schepping betere tijden gekend dan het antropoceen. Moest de schepping op zijn plek gezet worden toen dit lied voor het eerst gezongen werd: de schepping gemaakt door God was zelf niet goddelijk. Moest de speciale plek van de mens in dit verhaal de ballingen troosten en weer wijzen op hun band met de ene God, de machtige schepper van hemel en aarde. Nu zijn de rollen omgedraaid en is het de aarde die troost nodig heeft en zijn wij het die onze plek weer moeten kennen.

Vijfenhalve dag bestaat de aarde in het lied voordat de mens ten tonele verschijnt. Vijfenhalve dag vol water, land, licht en donker, ontkiemend groen en overal vissen, vogels en landdieren. Alles is goed in de ogen van God. Als het lied na vijfenhalve dag zou eindigen, zou er voor alles wat leeft geen man over boord zijn. De aarde kan zonder de mens, het is de mens die niet zonder de aarde kan. Antropoceen of niet, wij zijn afhankelijk. Dat is onze plek.

Als God dan aan het einde van dag zes met veel enthousiasme de mensen maakt, kijkt hij tevreden terug op zijn werkweek: ‘God keek naar alles wat hij gemaakt had en zag dat het zeer goed was’. Krijgen bijna alle afzonderlijke schepsels hun eigen ‘en god zag dat het goed was, de mens moet het doen met een gedeeld compliment. Als de mens op zijn plek is, verbonden met de aarde, ten dienste van de schepping, dan is het goed. Maar als we onszelf isoleren van de schepping en de wereld zien als ons eigendom – te gebruiken voor ons eigen gewin – dan plaatsen we onszelf buiten dat wat goed is.


Dries van den Akker, s.j. is jezuïet en oud-docent godsdienst, catechese en levensbeschouwing.

Bettelies Westerbeek is pastor en pionier in de Haagse wijk Moerwijk.