Waarom de bijbelschrijvers een bommetje leggen onder ‘onze identiteit’

Waarom de bijbelschrijvers een bommetje leggen onder ‘onze identiteit’

Alain schreef de afgelopen tijd een manifest tegen moslimhaat en een petitie aan politici die opeens de woorden ‘joods-christelijke cultuur’ in hun mond namen. Maar hij zag iets over het hoofd, concludeert hij.   

Tijdens de afgelopen verkiezingscampagne heb ik me met de dag ernstiger gestoord aan dat oeverloze debat over onze ‘nationale identiteit’. Het ging maar door: onze joods-christelijke wortels, onze normen en waarden, het moest allemaal verdedigd en teruggehaald worden.

Ik schoot net naast de roos

Als theoloog heb ik het op verschillende manieren geprobeerd te kraken, dat lelijke publieke gesprek. Waarom? Omdat het praten over ons meestal vooral bedoeld was om ons af te grenzen tegen de ander. Tegen moslims, bijvoorbeeld – dus schreef ik met collega Janneke Stegeman een manifest tegen moslimhaat. En dat vermeende christelijke karakter van ons werd nergens concreet gemaakt – dus schreef ik een petitie om de politici daarmee te helpen.

Helemaal raak schoot ik niet, want ik miste steeds een link. In de Bijbel vind je namelijk wel degelijk óók een rode draad die zegt: Israël, bewaak je identiteit. Je bent het uitverkoren volk. Blijf trouw aan je tradities. Vergeet je geschiedenis niet. Die rode draad kon ik maar slecht combineren met mijn afkeer voor de politieke partijen die zwijmelden over onze nationale identiteit.

Totdat ik het boek Niet in Gods naam van rabbi Jonathan Sacks opgestuurd kreeg, dat hier deels over gaat. Ik geef zijn verhelderende uitleg graag aan jullie door. Laten we eens aan de hand van Sacks kijken naar de aartsvaders van het uitverkoren volk.

Meeleven met die andere broer

Joden zien zichzelf als afstammelingen van Izaäk, de tweede zoon van Abraham. Izaäk heeft een oudere halfbroer: Ismaël, de zoon van Abraham en de slavin Hagar. Abrahams vrouw Sara kan Hagar niet luchten of zien. Uiteindelijk gaat de rivaliteit zo ver, dat het stel Hagar met Ismaël wegstuurt, de woestijn in. Met een zakje water voor onderweg, dat wel:

Toen het water uit de zak op was, liet ze haar kind onder een struik achter. Zelf ging ze een eindje verderop zitten, op een boogschot afstand, omdat ze niet kon aanzien hoe haar kind stierf. En terwijl ze daar zo zat, huilde ze bittere tranen. Maar God hoorde de jongen kermen…

God redt moeder en zoon en belooft Ismaël dat hij twaalf stammen met ontelbare nakomelingen zal voortbrengen. Let daar eens op, zegt rabbi Sacks: voordat de bijbelschrijvers ons joden laten lezen over onze wortels (Izaäk), moeten we eerst langs Ismaël.

  1. Om te lezen dat hij onrechtvaardig werd behandeld ten opzichte van onze voorvader Izaäk.
  2. Om met Ismaël en zijn moeder mee te leven – zeker voor Genesis is dit echt heel emotionele taal (vergelijk maar met een hoofdstuk verder, waar Izaäk geofferd moet worden en er geen traantje vloeit).
  3. Om te lezen dat Ismaël precies dezelfde beloften van God krijgt als het verbondsvolk Israël: twaalf stammen met ontelbare nakomelingen.

Ook Jakob was niet perfect

Rabbi Sacks laat vervolgens hetzelfde zien bij de volgende twee broers: Jakob en Esau. Zeker, Israël stamt af van de uitverkoren broer Jakob. Maar eerst laten de schrijvers ons zien dat Jakob een matennaaier is, die zijn broer al vanaf de baarmoeder op de hielen zit. Hij bedriegt zijn vader en berooft zijn broer Esau van de vaderlijke zegen. Ook hier gebruikt Genesis weer zeldzaam emotionele taal: een wilde, wanhopige kreet van een in tranen uitbarstende, smekende Esau.

Ook in dit aartsvader-verhaal vind je die drie elementen: Esau wordt onrechtvaardig behandeld, de Bijbel laat ons meeleven met de emoties van Esau en aan het eind zien we dat Esau alsnog rijk gezegend wordt. Onder andere door vele nakomelingen, waaronder de later zo door Israël gehate volken Amalek en Edom.

Zo laat Jonathan Sacks ons zien: de bijbelschrijvers moedigen het volk aan om hun joodse roots goed te onderzoeken. Dat is van waarde, dat is een mooie identiteit, dat is een uniek verhaal met God. Maar tegelijkertijd leggen ze een bommetje onder een mogelijk superioriteitsgevoel. Door die andere broer zo uitgebreid te noemen. In zijn onderdrukte staat, met zijn verdriet, en óók in zijn eigen verhaal met God.

Prachtig, dat bezighouden met historische wortels…

Want het is prachtig als een volk zich gaat bezighouden met historische wortels. Maar dan niet zonder oog te hebben voor de ander, die wij misschien wel hebben benadeeld zoals Sara Ismaël, zoals Jakob Esau.

Gezegend is Egypte, mijn volk, en Assyrië, werk van mijn handen, en Israël, mijn bezit.
Jesaja

Want monotheïsme betekent dan wel dat jij slechts één vriend in de hemel hebt – het betekent niet dat God slechts één vriend op aarde heeft.

Zijn jullie voor mij soms meer dan de Nubiërs, Israël? – spreekt de HEER. Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, maar ook de Filistijnen uit Kreta en de Arameeërs uit Kir.
Amos

Want het is prachtig om je eigen wortels met God te onderzoeken, maar als je God tot dat ene verhaal beperkt, onderschat je het allesomvattende, kosmisch zegenende, van oost tot west reikende genadeverhaal van geloof, hoop en liefde.