‘Op een dag merkte ik dat ik uit het verhaal was gevallen. Ik kon het niet meer geloven.’

‘Op een dag merkte ik dat ik uit het verhaal was gevallen. Ik kon het niet meer geloven.’

Job (51) verloor op zijn zeventiende zijn geloof, maar gaat sinds een half jaar weer naar de kerk. Waardoor begon zijn twijfelloze geloof destijds te wankelen?

Ik zeg weleens, half grappend, dat mijn geloof op zondagmiddag 7 juli 1974 voor het eerst aan het wankelen werd gebracht. Het was even voor zes uur, ik was acht jaar oud en de kerk was net uit. Die kerk heette bij ons thuis ‘de vergadering’, want wij waren lid van de Vergadering van Gelovigen.

Ik holde naar de auto omdat ik het niet meer uithield van de spanning. Ik herinner me niet meer of mijn oudere broer en zus met me mee renden, maar ik weet wel dat ook zij heel graag wilden weten hoe het was afgelopen. Net als mijn vader trouwens. En mijn oom. En al die andere voetballiefhebbers in de vergadering die de WK-finale tussen West-Duitsland en Nederland hadden gemist.

Toen ik het knopje van de autoradio omdraaide, hoorde ik de verslaggever zeggen: “…en de Duitsers maken hun tweede ererondje, hier in het Olympiastadion in München…”

Enorme afstand tussen het leven van alledag en het geloofsleven

Van de dienst herinner ik me vooral mijn vurige voetbalgebeden en de begeleidende dagdroom: daarin werd het geen 2-1 voor West-Duitsland maar 4-1 voor Nederland. Wie er preekten weet ik niet meer, maar het kan best mijn eigen vader zijn geweest. In de vergadering werden de diensten geleid door de Heilige Geest. Die gaf de broeders in welke liederen gezongen dienden te worden, wie er moest bidden en wie het Woord bediende.

Waarover die bewuste zondagmiddag gepreekt werd, kan ik me ook niet herinneren. Maar ik heb wel een vermoeden: het verzoenende bloed dat de Heer Jezus Christus aan het kruis vergoten heeft voor onze zonden, waardoor wij gered zijn en het eeuwige leven beërven. Daarover ging het namelijk altijd. Als je dat maar geloofde kwam alles goed. De preek ging ook vaak over de Eindtijd, want de Grote Verdrukking en de wederkomst des Heren waren nabij.

Ik kan me niet herinneren dat er in de verkondiging ooit een verband werd gelegd met de wereld waarin wij in die jaren leefden: de Vietnamoorlog, de treinkapingen of de oliecrises. Misschien vergis ik me, maar ik denk niet dat er die zondagmiddag van 7 juli 1974 in de Vergadering van Gelovigen te Zaandijk ook maar een woord gesproken is over de finale van het WK-voetbal, die op dat moment de rest van Nederland bezighield.

Ik ben die dag niet mijn geloof verloren. Maar dat ik op mijn zeventiende afhaakte, had wel te maken met de enorme afstand tussen wat mij bezighield in het leven van alledag en het geloofsleven zoals dat in de vergadering gestalte kreeg. De twijfel die toen wellicht werd gezaaid, groeide in de jaren erna tot ik op een dag tot de ontdekking kwam dat ik uit het verhaal was gevallen. Ik kon het niet meer geloven.

De twijfelloze zekerheid over Gods bedoelingen

Ik weet niet meer hoe dat proces precies verliep. De jongen die ik toen was is ver weg. Ik weet wel dat ik in mijn pubertijd heel veel stripboeken en romans las, van Kuifje tot Dostojevksi. De werelden die zich daarin voor mij openden, sloten veel meer aan bij mijn belevingswereld dan wat ik op zondag in de vergadering te horen kreeg of op vrijdagavond in de jongerenkring. Ze dwongen me tot nadenken.

Kantelpunt was voor mij het lezen van de roman Narziss en Goldmund van Herman Hesse. Ik heb het boek nooit herlezen, maar ik denk dat de zoektocht van een jongeman naar de betekenis van zijn bestaan, precies aansloot bij de groeiende twijfel die ik had bij wat verkondigd werd in de kathedraal van zeker weten die de Vergadering van Gelovigen was.

Daar kreeg ik te horen dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God bevatte, dat van kaft tot kaft zo letterlijk mogelijk diende te worden gelezen. Dus als er stond dat de aarde in zes dagen was geschapen, dan was dat zesduizend jaar geleden ook echt zo gebeurd. De evolutietheorie was een valse leer en al die fossielen die de theorie ondersteunden, waren door de duivel op de aardbodem geplaatst om ons te misleiden.

En mocht de ware leer echt zwaar onder druk komen te staan, dan hadden we altijd broeder Willem Ouweneel nog die de boel recht kon praten. In de vergadering was de wereld overzichtelijk en heerste twijfelloze zekerheid over Gods bedoelingen en de betekenis van Bijbelteksten, waarmee – zo realiseer ik me nu – naar hartenlust gejongleerd werd opdat het eigen gelijk en het daarbij behorende interpretatiekader maar bevestigd werd.

De absurditeit van geloven stond voor mij als een paal boven water

Die twijfelloze benadering heeft heel lang mijn idee over wat geloven is bepaald, ook toen ik zelf al lang niet meer geloofde. Als je de verzoening door Jezus’ bloed, het idee van een persoonlijke, almachtige God die alles bestiert, en noties als het eeuwige leven of hemel en hel niet letterlijk nam, dan was je in mijn ogen maar een halfbakken christen.

Kerkgangers die er genuanceerder over dachten dan de broeders en zusters van de vergadering vond ik slapjanussen – halve heidenen die niet consequent waren. Dat ik daarmee feitelijk in het denkkader van mijn jeugd bleef hangen, realiseerde ik me pas veel later. Ik heb dan ook lange tijd geen moment van twijfel gehad over mijn afvalligheid: de absurditeit van geloven stond voor mij als een paal boven water.

Zelfs nu ik mijn geloof aan het terugvinden ben, merk ik dat dat idee zo diep in mij is verankerd dat ik er nog steeds last van heb. Een deel van mij verlangt blijkbaar nog steeds naar die absolute zekerheid van vroeger, terwijl ik inmiddels (zeker) weet dat die er niet is.

Job van Schaik (51) woont in Groningen en werkt op de cultuurredactie van Dagblad van het Noorden. Sinds een half jaar bezoekt hij met zijn vriendin regelmatig de eredienst in de Laarkerk in Zuidlaren (PKN). Voor Lazarus zal hij de komende maanden verslag doen van zijn zoektocht.