Michel begroef zijn dochtertje, ging op de bank zitten en kwam er nauwelijks meer vanaf. Hij vertelt zijn verhaal.

Michel begroef zijn dochtertje, ging op de bank zitten en kwam er nauwelijks meer vanaf. Hij vertelt zijn verhaal.

Als Michels vrouw na een miskraam weer zwanger is, groeit de hoop. Het is zwaar, extreme zwangerschapsmisselijkheid kluistert haar aan bed. Maar, zegt Michel, ‘wir schaffen das’. Tot het doemscenario hen overvalt.

Ik viel natuurlijk op haar innerlijk, maar toen het op onze trouwdag ging over voor- en tegenspoed dacht ik niet aan haar maag, darmen en baarmoeder.

Heb jij weleens van iemand gehouden? Zoveel dat je hebt gezegd: ‘Ik blijf bij je in goede en in kwade tijden?’ Iemand met wie je hebt gelachen en gehuild, hebt gewonnen en verloren? Met wie je alles, maar dan ook alles bespreekt wat in je omgaat? De goede en de slechte gedachten? Stel je zo iemand voor, of anders je moeder, die kotsend en poepend op de overloop zit.

Zo zag ik J., mijn vrouw. Niet één keer, niet één week, maar maandenlang. O ja, ik zou bijna vergeten waarom ze zich zo voelde: ze was zwanger. Hoera.

Je kon de nagels op de vingers al zien

Het was niet de eerste keer dat J. last had van extreme zwangerschapsmisselijkheid (hyperemesis gravidarum). De eerste keer was de misselijkheid extreem, maar dragelijk. Na zestien weken was het voorbij en na negen maanden werd in november 2012 onze prachtige zoon M. geboren.

Bij de tweede zwangerschap was de misselijkheid extremer. Het voelde eindeloos, maar duurde kort. J. was continu misselijk, at niets en dronk met moeite. Haar darmen verstopten. Na twaalf weken was al het vruchtwater opgedroogd. Een minibaby werd geboren. Twaalf weken klinkt kort, maar je kon de nagels op de vingers al zien. We eindigen 2014 met een begrafenis in de buurt van ons huis, een plekje in de natuur.

Een jaar later, de ochtend van Tweede Kerstdag. Een positief streepje op de zwangerschapstest. Wat een mooi symbolisch moment. We wilden heel graag nog een kind. Voor onszelf en omdat we denken dat het leuk en goed voor M. is om een broertje of zusje te hebben.

Leuk wordt het niet, maar ‘wir schaffen das’

We wachten, met vrees en beven: hoe zal het deze keer gaan met de misselijkheid? Het begint rustig. Voorzichtig ontspannen we. We hebben na de vorige keer opgeschreven wat nodig is voor de verzorging van J. en de opvang van de driejarige M. Iedere dag is er iemand om voor hen te zorgen. Zo kan ik zoveel mogelijk blijven werken en hoeft J. niet door uitdroging naar het ziekenhuis – want daar kom je helaas niet preventief te liggen, maar pas als je bent uitgedroogd.

Hard wordt onze prille hoop na twee weken de grond ingeboord, als de misselijkheid toch komt. Het is weer net zo heftig als de vorige keer. Een flinke tegenslag. We moeten verder met de instelling als die van Angela Merkel: leuk wordt het niet, maar ‘wir schaffen das’. En daar gaan we alles aan doen wat we kunnen. Het duurt hooguit negen maanden.

Als J. al iets voelt, is het misselijkheid. Misselijkheid verdringt alles. Alles behalve de televisie. Daarom kijkt ze de hele dag series op uitzendinggemist en Netflix. Liggend op bed. Want als ze beweegt moet ze acuut overgeven. Haar darmen worden geleegd in het ziekenhuis.

Mijn vrouw mist nu al maanden van het opgroeien van onze zoon

Mijn ritme: de deur opendoen voor de oppas, werken, eten, zoon op bed leggen, uurtje rust, slapen. Ik sta continu paraat. Ieder moment kan er iets verschoond moeten worden, een emmer met kots of poep. Alles in makkelijk verwisselbare plastic zakken. Ik krijg er handigheid in. We zijn beiden continu bezig ons leven zo draaglijk mogelijk te maken. Het vraagt veel van me, maar ik zou niet anders willen. Ik heb in deze tijd een voorliefde om in mijn uurtje rust melancholische muziek te luisteren en tv-series te kijken waarin de wereld overweldigend en chaotisch op me afkomt.

Ons onderling contact is zeer beperkt. Mijn vrouw mist nu al maanden van het opgroeien van onze zoon. Onze relatie houden we goed door temidden van misselijkheid en vermoeidheid zowel onze irritaties te uitten als te zeggen ‘ik hou van je’. Die woorden krijgen extra betekenis. Als ik op de rand van het bed zit, kunnen we af en toe een gesprek voeren – tenzij ik per ongeluk knoflook heb gegeten, dat is onverdraaglijk.

Negen maanden, dan is het voorbij en hebben we een kindje. Dat houdt ons overeind. J. heeft veel steun aan een onlineforum met vrouwen in dezelfde situatie. Niet iedereen heeft zoveel begripvolle en liefdevolle mensen om zich heen als wij. Sommige vrouwen zien vriendschappen stuklopen, bij anderen houdt de relatie met hun man of vriend geen stand. Er zijn vrouwen die zo extreem misselijk zijn dat ze de zwangerschap af moeten breken omdat het gevaarlijk wordt voor henzelf. Een enkeling laat de zwangerschap afbreken omdat ze het niet meer volhoudt.

Eén vrouw verliest haar kindje omdat het vlak na de geboorte overlijdt. Dat moet het ergste zijn, na zoveel maanden afzien. ‘Dat overleef je toch niet’, zeggen we tegen elkaar.

Daar huilen we en zwijgen we en huilen we

Met twintig weken is er goed nieuws. De gynaecoloog ziet een meisje. En we wilden graag een meisje. Maar de vreugde is kort van duur. Na een paar minuten ziet de gynaecoloog ook een scheefstaand hartje. En dat is ernstig. Tijdens de vervolgecho wordt CHD (congenitale hernia diafragmatica) geconstateerd. Een zeldzame aangeboren ziekte waarbij de baby een gat in het middenrif heeft. De longen kunnen zich daardoor niet goed ontwikkelen.

De rest van de echo staar ik naar buiten. Ik voel me alsof ik tijdens een verhuizing allemaal zware boekendozen in mijn armen heb. Er worden er steeds meer opgestapeld, ik kan me ternauwernood staande houden. Dan komt er iemand aan met een grote koelkast en zet die boven op mijn hoofd. Een maatschappelijk werkster brengt ons naar een kamertje. Daar huilen we en zwijgen we en huilen we. We ervaren wonderbaarlijk veel kracht en rust van God. Dan gaat het protocol verder.

De gynaecoloog zegt dat we, in verband met de wettelijke termijn, snel moeten beslissen als we de zwangerschap willen afbreken. Maar afbreken? Na alles wat we al hebben doorstaan? Of is er geen hoop meer voor haar? De kinderarts vertelt dat de overlevingskans vijftig procent is. Misschien lijdt ze uiteindelijk een heel normaal leven. Vlak na de geboorte zal het spannend worden. Dan pas kunnen ze zien hoe goed of slecht de longen ontwikkeld zijn en zal er worden geopereerd.

Maar vijftig procent dus. Daar doen we het voor.

Genieten van de stilte voor de storm

J. krijgt angstaanvallen. Van alles wat ze tot nu toe heeft meegemaakt, de misselijkheid, de verstopping, vindt ze de angst het ergst. Daarom gaan we aan het begin van de zomer op ‘vakantie’. Het is in de buurt van mijn werk, zodat ik kan blijven doorwerken – ik kan mijn vakantiedagen vast beter gebruiken na de bevalling. De ouders van J. gaan mee om voor haar en onze zoon te zorgen. Ik leer hem fietsen die week. We genieten van de relatieve rust. Van de stilte voor de storm. Als J. aan het einde van de week is thuisgebracht en ik op mijn werk zit, belt ze: bloedverlies.

Dertig weken is ze nu zwanger. Nog tien te gaan. Tien weken die het meest cruciaal zijn voor de kwetsbare longen van onze dochter. Bloedverlies kan van alles betekenen, natuurlijk, maar in J.’s geval zijn de weeën begonnen.

Vanaf daar: flitsen.
Ik rijd met een ongelukkig navigatiesysteem middenin de nacht door een drukke uitgaansstraat in Rotterdam. J. ligt met weeën in het ziekenhuis. Ik moet haar vinden. Er zit een cyste in haar darmen, opgemerkt tijdens de vorige zwangerschap. Maar de MRI-scan wijst uit dat J. geen cyste heeft, maar een verborgen open ruggetje. Dat betekent: straks een keizersnede en absoluut geen ruggenprik, maar algehele narcose. De weeën worden geremd.

Een week later. J. belt: nu komen, het is zover. Ik stop voor een paar dagen kleding in mijn tas. Haal M. van bed. Radio Tour de France in de auto. De operatiekamer binnen. J. krijgt een ruggenprik, de anesthesist ziet geen gevaar.

Hoop, ik heb altijd hoop, maar bereid me voor op het ergste. Tweeëndertig weken zwanger is veel en veel te weinig.

Vier uur, zolang leeft ze. Alledrie hebben we Evy kunnen zien en voelen. Goddank voor de anesthesist; onder narcose had J. haar nooit levend gezien. Op de röntgenfoto zien we haar longen zo groot als een vinger, in plaats van een vuist. Ook na veertig weken was ze niet te redden geweest. Haar ogen hebben we nooit gezien.

De bodem van mijn angst voor de dood is overbemest

De begraafplaats is een schitterende plek op de Veluwe. We ontwerpen en timmeren een kist. Samen met M. schilderen we die zo mooi mogelijk. Evy krijgt een knuffelbeer mee in haar graf. M. krijgt er ook een. Die ligt nog elke dag bij hem in bed.

Thuis ga ik op de bank zitten. Twee maanden lang lukt het me nauwelijks ervan af te komen. Ik meld me ziek. J. niet. Meer dan tien kilo armer en een traumatische ervaring rijker, bloeit ze helemaal op. De misselijkheid en verstopping zijn verdwenen. Zo tegenstrijdig zijn het leven en de dood.

De angst blijft. De dood loert overal. Om de haverklap gaat er weer één. Ik maak een lijst van alle zinloze manieren om te sterven die ik tegenkom in de krant en in het nieuws. Ongelukken, moord, oorlog. De bodem van mijn angst voor de dood is overbemest. Ik schrijf in mijn dagboek: ‘God, moeten we als mensen nog vreselijkere dingen doen? Levend villen, levend koken, levend verbranden, wonden van mensen aan elkaar laten groeien. Waarom? Alsof we u ergens van moeten overtuigen. Dat we uw liefde echt niet waard zijn. Dat het de hoogste tijd is om terug te komen. Dat we niet deugen en nergens toe dienen.’

We durven niet eens meer seks te hebben

Ik wil naar een plek op de wereld waar geen andere mensen zijn. Mensen zijn wreed. Ik wil naar Noord-Zweden. Daar is alleen natuur. Maar die is ook wreed. Er zijn wolven, die vreten je op in de nacht. Stille wateren, zo diep dat ze me naar beneden trekken. In het bos breken takken af, vallen als naalden op je hoofd, de hele boom komt erachteraan. Het sneeuwt, ik raak ingesloten, ik vries dood. Daar komt een eland om me te vertrappen.

Waarom zoveel kots en poep en angst voor een dood kind? We durven niet eens meer seks te hebben uit angst voor een zwangerschap. Als ik hoor dat iemand meerdere kinderen heeft, denk ik bij mezelf: Dat kan toch niet? Zoveel zwangerschappen?

We gaan uiteten, naar verjaardagen, op vakantie. Het is verschrikkelijk. Maar we merken dat het helpt. Het helpt om het verdriet te laten komen, om over de drempel te gaan van de somberheid die het met zich meebrengt. Want de volgende keer is het makkelijker, kunnen we er zelfs weer een beetje van genieten.

Waar is God?

Waar is God, vroeg iemand. Ja, waar is hij eigenlijk. Ik weet het nog steeds niet goed. Het enige dat ik er over kan zeggen is dit: ik snap steeds minder van God, maar ervaar hem dichterbij dan ooit. Zoals J. en ik, ondanks alles, dicht bij elkaar zijn gebleven, zo is en was en blijft ook God, ondanks alles, dichtbij.

Afgelopen Tweede Kerstdag waren we op de begraafplaats. Twee jaar na de miskraam, een jaar na de positieve test. De waas die ik tijdens het vorige bezoek ervoer, is verdwenen. De kleuren, de frisse lucht, ze prikkelen mijn zintuigen weer. Ik heb weer gevoel. Zoals vingers die in de winter te lang buiten zijn geweest: eerst zijn ze gevoelloos, dan prikkelen ze en doen ze pijn, maar ongemerkt wordt het prikkelen minder, ze tintelen nog een beetje. Als ik op tafel tik, voel ik mijn vingertoppen weer.

God geeft weer leven na de dood.

Michels achternaam is om privacy-redenen niet vermeld.