Dat doodgaan niet het einde is

Dat doodgaan niet het einde is

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Dat doodgaan niet het einde is – PopUpGedachte 20 april 2017

Als je Herman Finkers vraagt wat hij denkt dat er gebeurt met doodgaan, hemelen, nieuw leven en dergelijke, krijg je een verrassend antwoord. Met dat Twentse accent legt hij uit hoe iemand die ligt te slapen in zijn bed, naast zijn vrouw, kan dromen dat hij in zijn bed ligt naast zijn vrouw. Dat is leven, zegt hij. Doodgaan is wakker worden en realiseren dat je echt in je bed ligt naast je vrouw. In je droom voelde dat reëel, nu je wakker bent ís het reëel.

Of dat waar is? Dat weet natuurlijk niemand, maar als iets mooi is dan heeft het een hele grote kans om waar te zijn, toch? Waarom zouden we het anders mooi vinden. Volgens Finkers denken we nu dat we leven, maar valt daar nog wel het een en ander op af te dingen. En je zou je zomaar af kunnen vragen of degene die weet dat hij droomt, al niet een klein beetje wakker aan het worden is. Moet je wel doodgaan om wakker te worden? Of kunnen we er alvast aan beginnen?

Aan de profeet Ezechiel wordt vanochtend een luguber beeld getoond. De restanten van een veldslag of een massamoord, een dal dat vol ligt met gebleekte beenderen. Niets is er over van het leven dat deze mensen bezielde, enkel hun kale botten liggen nog dor in de zon. Dan staat er: ‘De Heer vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘Heer, mijn God, dat weet u alleen.’ – wat ik dan wel weer een mooi diplomatiek antwoord vind. Nee zeggen, is niet heel gelovig. Ja zeggen, is wel heel optimistisch –

Toen zei hij: profeteer en zeg tegen deze beenderen: ‘luister, zo zegt Jahweh, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik Jahweh ben.’ Ezechiël doet netjes wat hem is gevraagd en dan klinkt er een geluid, een geruis van botten die naar elkaar toe bewegen. Bizar beeld moet dat zijn. Vlees, pezen, huid, alles klaar. Maar ademen deden ze nog niet, staat er. ‘Toen zei hij tegen mij: Profeteer tegen de wind: Kom uit de vier windstreken en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan, een onafzienbare menigte.’

In dit zinnebeeld, visioen of wat het dan ook is, wordt de doodsoorzaak niet vermeld. Geen veeg uit de pan aan atoombommen-dreigende-machthebbers dit. Het is een staat van zijn, zo treft Ezechiël de wereld aan. Dorre doodsbeenderen. Een slapende onafzienbare menigte, onbeweeglijk, dromend misschien, maar verder niets.

Zou het kunnen dat het christelijke verhaal niet mensen bang wil maken met doodgaan, maar juist mensen wil vertellen dat we van onszelf nogal doods zijn, of tenminste slapend? Onbereikbaar voor het echte leven. En dat doodgaan een uitstekende oplossing kan zijn, beter nog; als we hier alvast wakker worden? En dat is niet zo heel uitzonderlijk hoor. Zoeken niet religies, filosofie, wetenschap naar Verlichting – naar wakker worden, het zien, eindelijk bewust beseffen en weten?

In de lezing uit Handelingen houdt Petrus aan zijn volksgenoten hun slaapstand, dan wel doodsheid, voor. ‘U hebt de heilige en rechtvaardige verstoten en geëist dat aan een moordenaar gratie werd verleend.’ Nou dan heb je wel echt zitten slapen hoor. Dan hebben we twee dingen tegelijk gaan: tonen dat we zelf redelijk koud zijn en degene die leefde dan ook maar koud gemaakt.

‘Hem die de weg naar het leven wijst,’ staat er  ‘hebt u gedood’. ‘Maar,’ zegt Petrus, ‘God heeft hem uit dood doen opstaan en daarvan getuigen wij…’ En zegt hij erbij: het geeft niet, u had geen idee. Die man uit Nazareth moest zich ook bij ons voegen. Maar nu hij is opgestaan, heeft hij ons meegenomen in een vorm van levendigheid die we tot dan toe niet echt kenden. Het leven ziet er hetzelfde uit, maar het voelt nogal anders. Alsof het pas begonnen is. Alsof je wakker wordt naast je vrouw, waar je eerst alleen maar van droomde. Voelde ook echt, nu is dat het pas.

En niemand die vraagt: waar is die Jezus van je dan? Als die is opgestaan, zou het wel relaxed zijn om even bewijs te zien. Niemand die het vraagt. Want die leerlingen die het zeggen, zijn zelf opgestaan. Zij hielpen net een verlamde man op de voeten, zij kijken alsof ze zojuist tot leven zijn gekomen.

Het is een beetje vreemd goed nieuws. Maar als we niet meer hoeven dood te gaan om dood te zijn, dan kunnen we alleen nog maar levend worden. Ja, toch? Als dit de slaap is, waarin we rondtasten in paradoxen, vreemde angsten en momenten van geluk die vluchtig lijken? Dan wordt het tijd dat het dag wordt, en we wakker worden. Om de angsten het hoofd te bieden in het echte leven en het geluk aan te kunnen raken en te proeven.

Want dat kan niet als je slaapt: proeven. Zonde eigenlijk.

Ezechiël 37:1-14

Handelingen 3:11-26

Johannes 15:12-27