We weten niet wat we geloven

We weten niet wat we geloven

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

We weten niet wat we geloven – PopUpGedachte Woensdag 12 april

Woensdagochtend, de week in tweeën. De Goede Week. De week die is aangewezen om de kruisiging en opstanding van Jezus van Nazareth te herinneren en alle interpretatie die daarbij hoort. De week van de paaseieren, het lente-gevoel en het Paasontbijt plus meubelboulevard-voorbereiding. Het is de week van de dood van God. Of, zoals de toch vrij geniale G. K. Chesterton dat zegt: Goede Vrijdag is de dag dat God atheïst werd. Laat de atheïsten hun God kiezen, schrijft hij ergens letterlijk, want er is maar één religie waarin God door God verlaten werd en hij tenminste voor even atheïst was.

Waarom? Waarom zo en waarom dit? Misschien wel om af te rekenen met dat wat we allemaal geloven, maar waarvan we helemaal niet weten dat we het geloven. Misschien kwam die God wel afrekenen met geloof. Het geloof dat maakt dat we de werkelijkheid niet hoefden te zien. Dat ons sprookjes vertelde dat de wereld wel fijn en gezellig was. En waar dat niet zo was, dat we slechts een beetje beter ons best hoefden te doen, een beetje meer inspanning, een beetje meer netwerken, een offertje hier, een offertje daar, nog een kerkdienst, een lied of een nieuwe baan.

Het is Peter Rollins die dit allemaal in hetzelfde rijtje plaatst. Allemaal goden – en die moeten allemaal sterven. Dat is wat een vriend van hem zei toen iemand hem vroeg of hij in God geloofde. In één God, zei hij? Ik geloof er in honderden en ze moeten allemaal dood.

Voor wie de oren tuten bij dit soort uitspraken of hier en daar een kleine kortsluiting veroorzaakt; Peter kwam met een concrete uitwerking. Aan een zaal vol seculieren vroeg hij wie er niet in machten en krachten geloofden. Behoorlijk die-hard atheïsten, dus 97% stak de hand op om te zeggen dat ze bovennatuurlijke geesten en wezens maar onzin vond. Toen vroeg hij iedereen om op de telefoon even een foto van een geliefde op te zoeken en die omhoog te houden. Toen iedereen met een geliefd kind of ouder of partner zwaaide, zei hij: mooi, ik heb hier op mijn telefoon een satanisch gebed uit 1536 dat voor zijn werking alleen een foto nodig heeft. Wie zou even naar voren willen komen om dit satanisch gebedje uit te spreken over de foto op de telefoon. Niemand in de zaal. Iedereen weifelt en twijfelt. Waarom? Omdat we helemaal niet weten waar we in geloven.

Ik weet niet wat ik van God geloof. Maar ik weet ook niet in wat voor andere goden ik geloof. In wat voor automatismen. Dat het toch mijn schuld is als mijn werk niet lukt. Wie heeft me dat doen geloven? Dat onbetrouwbaarheid onvergeeflijk is. Ik weet niet of ik het geloof, dat weet je eigenlijk pas als je het voelt – als de grond onder je wegzinkt of je met een maagzweer van de spanning ervaart dat je toch echt wel geloofde in een boze God-in-de-hemel die van jou eist dat je dit of dat je dat. Ik noem het God in de hemel, maar mensen zonder God in de hemel hebben ook zo’n God in de hemel of in hun hersenpan of in hun kleine teen. Het maakt niet uit waar die zit, maar hij is venijning.

‘Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk, wie zal het kennen,’ zegt de profeet Jeremia vanochtend. En dan voert hij de Maker sprekend in met deze woorden: ‘Ik, de Heer, ben het die het hart doorgrondt, de nieren toetst en ieder geeft wat hij verdient.’ Ik weet dus niet wat mijn hart denkt en gelooft, dat gebeurt grotendeels onbewust, maar de Maker, de wereldgeest, God – de anti-God tegen alles wat wij tot God zijn gaan verklaren inclusief God zelf (mindblown .. i know) die kent mijn hart. ‘Genees mij heer,’ zegt Jeremia, ‘dan zal ik veilig zijn’. En zo werd het Goede Vrijdag. De dag van de grote genezing. De dag waarop we zien dat we in de grote hang naar het dienen van God en het verzekeren van ons plekje op aarde of in de hemel door dat dienen, dat we in die grote hang daarnaar de Heer zelf verhangen.

Zelfs Jezus van Nazareth worstelt met zichzelf. ‘Nu ben ik doodsbang’ zegt hij aan de vooravond van zijn duik in totaal en nachtelijke godverlatenheid, in een martelend atheïsme waaruit niemand redt. ‘Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen.’

Deze weg gaan. De weg van het niet langer geloven. Om zo te leren liefhebben. Zijn. En geloven dat geloven niet iets is voor ons, maar voor de mensheid. Dat geloven niet geeft, maar verlangt. Dat geloven niet ons redt, maar de ander als wij bereid zijn. En dat we daarmee gered worden van fairytales over redding. ‘Laat de Heer uw vreugde blijven, schrijft Paulus nog, ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd.’ Om het wegvagen van de angst, het zwoegen voor goden die onze harten bevolken en maagzweren scheppen. Verheug u in de wrangheid, opdat we verlost worden van datgene waar we ons aan vastklampen. Vrolijk Pasen. Alvast.

Jeremia 17:5-10, 14-17

Filippenzen 4:1-13

Johannes 12:27-36