Eerste hoofdstuk uit: ‘Zo Zoon, Zo Vader’, Brad Jersak

Eerste hoofdstuk uit: ‘Zo Zoon, Zo Vader’, Brad Jersak

Theoloog Brad Jersak schreef het boek ‘A More Christlike God: A more Beautiful Gospel’ dat onlangs in het Nederlands is verschenen bij uitgeverij Kok met de titel: ‘Zo Zoon, Zo Vader’. Lees hier alvast het eerste hoofdstuk.

Hoofdstuk 1. Wil de echte God opstaan?

Ik ben er genoeg romanticus voor om te geloven dat als iets het waard is om onbeleefd over te zijn, dit het waard is om goed begrepen te worden. – David Bentley Hart (The Experience of God) –

Als er een God is…

Als er een God is – en dat is natuurlijk een geloofsuitspraak– kunnen we hem niet zelf bedenken. Een echte God mag niet en kan niet zomaar een weerspiegeling van mijn eigen verbeelding zijn. Een levende en echte God moet wel bestaan buiten mijn eigen beperkte begrip, groter dan elk hokje waarin ik hem of haar, of welk persoonlijk voornaamwoord we ook gebruiken voor dit Wezen, wil vatten. Zelfs het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ voor God is onhandig en inaccuraat. Ik zal er gebruik van maken, maar elke keer als ik het doe, ben ik geneigd in elkaar te krimpen. God is niet een ‘hem’ of een ‘haar’. Jezus zei: ‘God is geest’ (Joh. 4: 24).

Maar God is veel persoonlijker dan een ‘het’. We zijn historisch gezien gewend te spreken over ‘hem’, omdat toen God als mens kwam ‘hij’ kwam als een man, Jezus (zijn ‘zoon’). Bovendien wordt in de Bijbel voornamelijk gesproken over God als Vader en wordt God omschreven met mannelijke metaforen zoals ‘Koning’. Aan de andere kant is het persoonlijk voornaamwoord voor de Geest ‘zij’ in het Hebreeuws. En inderdaad: Gods hoedende en zorgende eigenschappen, zoals compassie en genade, worden meestal geassocieerd met vrouwelijke karaktertrekken.

Sommige denkers zeggen zelfs dat God een ‘wezen’ noemen tekortschiet of dat beweren dat God ‘bestaat’ geen recht doet aan God. God is veeleer de grond van het zijn; God is het bestaan zelf, wat dat ook moge betekenen. Degenen die er zo over spreken, betogen dat bijna alles wat we over God beweren al laat zien dat we er ten diepste naar verlangen ons boven hem te verheffen, hem in een hokje te stoppen en hem te beheersen. Taal, woorden, doctrine, theologie – zijn die niet allemaal minder dan God zelf? En zorgen ze er bovendien niet maar al te vaak voor dat we de Schepper van alles reduceren tot een beheersbaar leerstellig proefmonster dat we vast kunnen pinnen en ontleden? Is het niet veel comfortabeler om hem op te sluiten in ons kleine overmoedige verstand, waar hij onze eigen ijdele gedachten mag papegaaien? Het is een voldongen feit dat alles wat we met grote zekerheid over of voor God zeggen, gefilterd wordt door de dikke sluiers van onze religi- euze tradities, culturele aannames en persoonlijke interpretaties. Sceptici en agnosten vragen: ‘Wat kunnen we nou echt met zekerheid zeggen over deze God?’ En terecht.

Er lijken net zoveel versies van God te bestaan als dat er mensen zijn, zelfs binnen één specifieke traditie, hoe goed religie ook haar best doet om ons te indoctrineren. Het maakt niet uit of we nou hindoes met boeddhisten vergelijken of moslims met joden. Als we alleen al naar christenen kijken, zien we bijvoorbeeld hoe John Wesley beweerde dat de God van Johannes Calvijn erger zou zijn dan de duivel! Zelfs vandaag, onder de meest gedownloade predikers van Noord-Amerika, staat de visie op God die we horen bij Mark Driscoll en John Piper mijlenver van die van Gregory Boyd of Brian McLaren. Ik geloof graag dat we allemaal dezelfde Heer dienen, maar soms vraag ik me af of we niet twee (of meer) verschillende religies hebben die met elkaar strijden om hetzelfde ‘christe- lijke’ label! De apostel Paulus sprak al over verschillende evangeliën en andere christussen in zijn tijd (Gal. 1:6-8).

Veel dichter bij huis houden zelfs onze naaste geliefden, zonder dat we dit doorhebben, er ideeën over God op na die drastisch verschillen van wat wij ons voorstellen. En nog dichterbij, terwijl ik mijn spirituele reis vervolg, blijf ik bidden tot dezelfde God, zonder me te realiseren hoeveel de ‘God, zoals ik hem persoonlijk aanvaard’ (om even de taal van het Twaalfstappenprogramma te ge- bruiken) al veranderd is. Terwijl God zelf niet verandert, gaat mijn beeld van God er na verloop van tijd zoveel op vooruit (of achteruit) dat ik vrijwel een andere god met dezelfde naam aanbid. Bo- vendien zou dit weleens heel goed en noodzakelijk kunnen zijn. Wat ik hiermee wil zeggen is dat degenen die beweren te geloven in ‘de God van de Bijbel’ zich meer bewust zouden moeten zijn van hoe we de tekst lezen door de dikke lenzen van onze onbewuste vooroordelen. Met deze vervormende filters zijn we geneigd afgodsbeelden te maken van God en deze te scheppen naar ons eigen evenbeeld. Het is dan ook niet voor niks dat de controversiële Duitse prediker Meester Eckhart het vol ergernis uitschreeuwde: ‘God! Bevrijd mij van “god”!’1 Dat wil zeggen: bevrijd mij van elk schimmig concept van God dat ik gecreëerd en aanbeden heb en waarmee ik mezelf bedrogen heb door te geloven dat het de ware God was! Dus ik zeg: nee – als er een God is, kan ik hem niet vormen uit de klei van mijn eigen evenbeeld. Ik heb het nodig dat hij zich laat zien op een manier waarin hij gekend kan worden.

Wat God niet is…

Een christelijke denkstroming met de naam negatieve theologie vindt dat het beschrijven wat God niet is, het beste is dat we kunnen doen. Je kunt het over elke eigenschap van God hebben – elk beeld van God dat je kunt vinden, zelfs in de Bijbel – en dan vragen: ‘Oké, God is een vader, maar op welke manier is hij niet een vader? God is een koning, maar op welke manier is hij niet een koning? God is een herder, maar op welke manier is hij niet een herder?’ Dit is tot op zekere hoogte een goede oefening, omdat het ons ervoor behoedt dat we deze menselijke metaforen te ver door- voeren. Het herinnert ons eraan dat ons beeld van God ook echt niet meer is dan een beeld, een icoon, een plaatje. We hebben deze plaatjes gezien, maar God is groter dan elk beeld dat wij van hem maken. God is veel meer dan vuur of licht of water, ook al worden deze elementen allemaal gebruikt om hem te omschrijven. De hen, de adelaar, de leeuw en het lam verwijzen naar bepaalde aspecten van Gods karakter, maar God is duidelijk geen vogel of dier. Negatieve theologie waarschuwt ons voor het maken van een afgod uit een van deze symbolen, waarmee we God vervangen.

Zo lezen we in Numeri 21 het verhaal over een plaag in de woestijn waarbij de Israëlieten aangevallen worden door giftige slangen. God zei tegen Mozes dat hij een ‘vurige slang’ moest maken van koper en deze moest bevestigen op een paal. Iedereen die gebeten was en zijn blik vestigde op de koperen slang, werd onmiddellijk genezen. Dit beeld symboliseerde de helende liefde van God en wordt tot op de dag van vandaag gebruikt als symbool in de medische wereld.

Helaas werd het beeld van de koperen slang later hergebruikt, maar nu voor afgoderij. In de tijd van koning Hizkia had het volk de koperen slang ‘Nehustan’ genoemd en begon het deze te aan- bidden. Daarom moest de koning het vernietigen bij zijn hervormingen die tegen afgoderij gericht waren (2 Kon. 18:4). Toch is het niet de bedoeling dat we alle beelden en beeldspraak van God maar afschaffen, maar juist dat we ze zuiveren en herijken op Christus. Jezus zelf gaf hierin het voorbeeld toen hij de koperen slang in herinnering riep tijdens zijn gesprek met Nicodemus: ‘De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhooggeheven heeft, opdat iedereen die gelooft, in hem eeuwig leven heeft.’ (Joh. 3:14-15).

Zo moedigt een negatieve theologie ons dus aan om de en/en vragen te blijven stellen. We zeggen dat God aanwezig is. We bidden dat we zijn aanwezigheid mogen ervaren: ‘Laat uw aangezicht over mij schijnen!’ Maar we vragen ook: ‘Waarom is hij afwezig?’ En we bidden tijdens heftige momenten waarin God afwezig lijkt: ‘Verberg uw aangezicht niet voor mij!’ En terwijl we ‘aangezicht’ gebruiken als beeld van God, denken we na over de vraag: ‘Op welke manier zijn deze uitspraken waar en op welke manier zijn ze niet waar?’

Een ander voorbeeld is hoe we uitroepen, ‘God is dichtbij’, en ons later weer afvragen: ‘Hoe kan God zo ver weg zijn?’ Paulus zegt dat God woont in een ontoegankelijk licht, maar in Hebreeën worden we uitgenodigd om zonder schroom het allerheiligste binnen te gaan en vol vertrouwen tot Gods troon te naderen. Hoe kan God tegelijkertijd dichtbij en ver weg zijn? Als we niet blijven hangen in of/of aannames en beweringen die God in een hokje stoppen, raken we in staat om onze eigen en/en ervaringen met God te herinneren en te delen.

In principe kunnen we bij elke eigenschap van God die we aan hem toeschrijven meer leren door te vragen: ‘Op wat voor manier is God niet zo? En is het tegenovergestelde op een bepaalde manier ook waar?’

Wat God wel is…

Negatieve theologie probeert te voorkomen dat God in een hokje gestopt wordt, maar we hebben ook een positieve theologie nodig. Als God God is, en meer dan een verzinsel, moeten we in geloof een aantal waarheden op een rij zetten waarvan het tegenovergestelde nooit waar kan zijn:

–  God is goed en nooit slecht. Hij is de perfectie van alles wat wij goedheid noemen.

–  God is liefde en alle andere aspecten van God kunnen niet anders dan in lijn zijn met zijn liefde.

–  God is licht en in hem is er geen spoor van duisternis (1 Joh. 1:5).

–  God is perfecte schoonheid en in hem is absoluut geen lelijkheid.

–  God is perfecte waarheid en laat niemand hem een leugenaar noemen.

–  God is perfecte rechtvaardigheid en in hem is absoluut geen onrecht.

Soms plaatsen theologische teksten Gods goedheid, liefde en rechtvaardigheid in een rijtje van zijn ‘eigenschappen’, en wijden ze hele hoofdstukken aan het omschrijven van God aan de hand van deze eigenschappen, op bijna wetenschappelijke wijze. Dit soort beschrijvingen, waarbij menselijke ideeën, concepten en analogieën voor God gebruikt worden op een manier die heel filosofisch is en eerlijk gezegd ook beperkend, zijn vaak nogal droog en saai. Dit is wat negatieve theologie in de eerste plaats heeft willen bestrijden. Negatieve theologie heeft geprobeerd de majesteit en het mysterie van God, die ver buiten onze categorieën en handboeken vallen, te behouden.

De apostel Paulus en latere theologen probeerden tegen deze droogheid in te gaan door een andere, meer dynamische term te introduceren: goddelijke energieën (energeia).

Energeia wordt in het Nieuwe Testament ook wel vertaald met ‘werking’ (Ef. 1:19), ‘vermogen’ (Ef. 4:16) en ‘kracht’ ( Ef. 3:7; Fil. 3:21; Kol. 1:29; 2:12). We zien Gods energieën terugkomen bij Pau- lus als hij zegt dat het Gods energie is, een energie diep binnen in jou, God zelf ‘die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt, omdat het hem behaagt.’ (Fil. 2:13).

Het valt op dat deze energieën niet worden beschouwd als slechts kenmerken van God. De energieën zijn God zelf in actie. Latere theologen zijn hier gedetailleerder op ingegaan en spraken over ‘ongeschapen energieën’. Met andere woorden: als we zeggen ‘God is liefde’ of ‘God is goed’ of ‘God is licht’, hebben we het niet alleen maar over zijn eigenschappen. We zeggen dat God liefde, goedheid en licht is in zijn energieën, net zoals we zeggen dat God Vader, Zoon en Heilige Geest is in zijn personen.

Waarom ‘energieën’? Omdat ze beschrijven wie God is in zijn daden, in zijn activiteit, in zijn zelfopenbaring. God is liefde die ervaren wordt; God is goedheid die geopenbaard wordt. God is schoonheid, waarheid en rechtvaardigheid – hij komt tot ons en manifesteert zich in onze levens. De ongeschapen energieën zijn God zelf die ons aanraakt, ons vult en ons van binnenuit veran- dert. We zullen nooit doordringen tot de oneindige dieptes van Gods kern, maar Gods ongeschapen energieën dringen door in onze wereld en onze levens. Er is nog een andere term die we gebruiken voor dit fenomeen: ‘de genade van de Heilige Geest’!

Dus waar negatieve theologie een denkstroming is die de moeite waard is om te onderzoeken – en dat zullen we dan ook doen – kan het niet onze honger naar het kennen van de levende God stil- len. Zien we in de Bijbel niet een God die gekend wil worden en er altijd op uit is zich te laten kennen? Bij negatieve theologie mist er iets, meer nog dan de energieën waar ik het net over had. Of beter gezegd: er mist iemand. Ik bedoel uiteraard Jezus. Als we het enige perfecte beeld willen zien dat de volheid van ‘het Goede’, van liefde, licht, schoonheid, waarheid en rechtvaardigheid – op aarde zoals in de hemel – draagt, kijken we naar de incarnatie (letterlijk, de ‘vleeswording’) van God. We verkondigen als waarheid het goede nieuws dat God zijn karakter heeft geopenbaard in de persoon Jezus van Nazaret. Door Christus kunnen we God kennen.

God is als Jezus

Het christelijk geloof is in de kern de bekendmaking van het goede nieuws dat God – de eeuwige Geest die het universum heeft geschapen, vult en bij elkaar houdt – ons heeft laten zien wie hij is en hoe hij is. Precies hoe hij is, in de mens van vlees en bloed die we ook wel Emmanuel (‘God met ons’) noemen. Omgekeerd geloven we dat Jezus ons het gezicht en het hart van God getoond heeft in de volheid van zijn leven hier op aarde: geopenbaard door ooggetuigenverslagen van zijn geboorte, zijn daden, dood en opstanding. We beschouwen dit mensenleven als de beslissende openbaring en daad van God in tijd en ruimte. Dat is nog steeds een geloofsuitspraak, maar voor christenen is dit het startpunt. Als we Jezus zien – en in het bijzonder Jezus aan het kruis, zegt 1 Johannes – zijn we getuigen van het duidelijkste beeld van de God die liefde is (1 Joh. 4:8). Ik ben tot de overtuiging gekomen dat alleen Jezus perfecte theologie is.

Als ik zeg dat God precies zoals Jezus is, bedoel ik niet dat we alles wat God is, terug kunnen brengen tot een joodse man uit de eerste eeuw. Ook beweer ik niet dat iedereen die Jezus Christus ontmoet heeft alles zou kunnen weten wat er te weten valt over God in zijn transcendente essentie. Maar zoals we zullen zien, is Jezus Christus de volmaakte en perfecte openbaring van het karakter van God omdat hij God is. Er is geen openbaring los van hem.

Ik deins er niet voor terug om het woord precies te gebruiken, omdat in de Bijbel beweerd wordt dat in Christus Gods luister schittert en Christus het evenbeeld van God wordt genoemd (Heb. 1:3). Paulus verzekert ons dat heel de volheid van God heeft willen wonen in Jezus’ menselijk lichaam (Kol. 1:19; 2:9). En we zullen herhaaldelijk terugkeren naar het feit dat het zien van Jezus het zien van God is, het eeuwige Woord dat mens is geworden zonder daarbij ooit te stoppen volledig God te zijn.

Het afwijzen van de afgodsbeelden

Ik ben ook aangenaam verrast door hoe positief dit idee – de boodschap dat Jezus ons laat zien wie God is – gewaardeerd wordt door mensen die geen christen zijn. Als ik zeg ‘God is liefde en Jezus was de liefde die mens was geworden’… geen probleem! Jezus is maar zelden het issue, zelfs voor iemand als Bill Maher, een satiricus en fanatiek atheïst. Zijn aanvallen zijn niet gericht op Jezus, maar primair op christenen die namens hun religie anderen geweld aandoen, in naam van de Vredevorst. Zo hekelt hij:

Als je een christen bent die het doden en martelen van je vijand aanmoedigt, moet jemet een nieuwe naam voor jezelf komen. […] ‘Uw vijanden neerschieten’ is nou niet bepaald wat Jezus zou doen. Al bijna tweeduizend jaar proberen christenen spelletjes te spelen met de Bijbel om uit te vinden hoe ‘Heb uw naaste lief’ uitgelegd kan wordenals ‘Haat uw naaste.’ […] Martin Luther King Jr. kon zichzelf een christen noemen omdat hij ook daadwerkelijk zijn vijanden liefhad. En Gandhi was zo’n f*ing christen, dat hij een hindoe was. Maar als je vergelding, marteling of oorlog goedkeurt, […] kun je onmogelijk beweren dat je een volgeling bent van de man die expliciet zei: ‘Heb je vijanden lief’ en ‘Wees goed voor wie jullie haten.’ […] En nou wil ik niet moeilijk doen, maar geweldloosheid was toch een beetje Jezus’ handelsmerk – het was wel enigszins zijn ding. Als je ervoor kiest hem daarin niet na te volgen is dat als lid worden bij Greenpeace en een hekel hebben aan walvissen. Je kunt iets op een bepaalde manier interpreteren, maar er is ook zoiets als negeren. Je negeert gewoon als je een voorstander bent van martelen – zoals veel Evangelicalen dat zijn, meer dan elke andere religieuze groepering. Eigenlijk hoor je naar dat Christusfiguur aan het kruis te kijken en te denken: ‘hoe kan een mens zo heftig lijden en vergeven?’ […] Ik ben geen christen. Net als de meeste christenen. Als je alles wat Jezus je opdroeg te doen negeert, ben je geen christen – dan ben je gewoon een toeschouwer. Jullie zijn geen volgelingen van Jezus, jullie zijn ge- woon fans. En als je gelooft dat je op deze aarde bent om mensen af te ranselen en daarvan te genieten, ben je geen christen – dan ben je een Texaan.

In feite haalt Mahers ongeloof hier venijnig uit naar de onchristelijke afgodsbeelden, de projecties van religieuze fundamentalisten. Het publiek vindt dit commentaar komisch, omdat de ironie erin tragisch genoeg de spijker op de kop slaat. Waarom zouden we, in plaats van defensief te reageren of onze hoofden in stille schaamte te laten hangen, deze aanklacht niet serieus nemen als een oproep om weer als Christus te worden?

Er is ook een vorm van atheïsme die het resultaat is van levensgebeurtenissen. We kunnen de hoop in het geloof opgeven wanneer een tragedie of teleurstellende ervaring bewijst dat de God zoals we die in onze jeugd meekregen of zoals we die ons voorstelden niet blijkt te bestaan. Als we diep geraakt worden door verlies, kunnen onze verkeerde beelden van wie God is of van wie hij zou moeten zijn en waarin hij gefaald heeft, ons leiden van een lichte twijfel naar een actieve afwijzing van het geloof.

Een voorbeeld hiervan zien we in het leven van Charles Darwin. Ook al werd zijn geloof in speciale creatie ondermijnd door zijn ontdekkingen over natuurlijke selectie en het evolutionaire proces, ze hadden absoluut niet ‘God gedood’ voor hem. In feite werden Darwins theorieën over het algemeen niet als problematisch gezien door christenen van zijn tijd (de grote strijd komt pas later in Amerika). Tegen het eind van zijn leven schreef hij: ‘Het lijkt me absurd eraan te twijfelen dat iemand tegelijkertijd een overtuigd theïst en een evolutionist kan zijn.’

Toen zijn geliefde dochter Anne op tienjarige leeftijd overleed in 1851, brak dat zijn hart en sloopte dat zijn geloof. Voor Darwin stonden de goede bedoelingen van God en het lijden dat inherent is aan het aardse leven in een gezonde spanning tot elkaar totdat hij het verschrikkelijke leed van zijn kleine meisje moest verdragen. Dat werd te veel. Wat Darwin ook geloofde over God, dat geloof kon zijn rouw niet overleven.

Dit zet me aan het denken. In zowel het geval van de spottende Bill Maher als de diepbedroefde Charles Darwin zou de echte schuldige weleens het onchristelijke beeld van God kunnen zijn. Met andere woorden: absoluut niet God zelf. Als dat zo is, ben ik geneigd me aan te sluiten bij Walter Wink die dit soort atheïsme prees als een eerste stap naar ware aanbidding, omdat het hierbij gaat om de afwijzing van een afgod. Mensen als Maher en Darwin keren zich namelijk ergens van af – dat wil zeggen: ze komen tot inkeer. De volgende stap, en ik zeg niet dat ze die hebben geno men, is het keren naar God – dat wil zeggen: het komen tot geloof. Een God die op Jezus lijkt, is het waard om je naartoe te keren.

Triggervragen

Toen ik mijn blik ging vestigen op de God die volledig als Jezus is, werd ik geconfronteerd met hoe de ‘kerk-God’ of zelfs de ‘Bijbel-God’ soms absoluut niet op Jezus lijkt. Als we Jezus de maatstaf maken voor perfecte theologie, worden veel van onze huidige christelijke geloofsovertuigingen en praktijken verdacht. Zelfs grote delen van de Bijbelse literatuur zijn niet in lijn met de Christus van de evangeliën. De bewering dat God perfect geopenbaard wordt in Jezus roept lastige vragen op over de God die ik me ooit voorstelde en die ik ooit predikte. Het leven en het karakter van Jezus bevragen mijn religieuze clichés en slogans – in het bijzonder de retoriek van ‘hoogste macht’ en ‘onweerstaanbare kracht.’ Christus openbaart God nooit op die manier in zijn onderwijs en zeker niet in zijn lijdensweg (dat wil zeggen: Jezus’ arrestatie, proces, marteling en dood). Ja, hij eindigt als overwinnaar, in het bijzonder in zijn opstanding, maar vergeet niet dat Paulus vastbesloten was ‘geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde.’ (1 Kor. 2:2) Je kon hem tegenwerken, je kon hem bespotten en hem in elkaar slaan. Je kon hem vermoorden. En dat deden we. Onze God is de kruisvormige Christus, het ‘zwakke van God’ (1 Kor. 1: 25) dat sterker is dan de mensen. Waarom? Omdat hij te werk gaat met overweldigende liefde, niet met overmeeste- rende macht.

Dit beeld van God roept onvermijdelijk een spervuur aan moeilijke geloofsvragen op – een niet te stoppen domino-effect van bezwaren die we in alle eerlijkheid onder ogen moeten komen. Waarom is er bijvoorbeeld chaos in deze wereld als God alle macht heeft? Als God de liefhebbende Vader is die Jezus verkondigt, hoe zit het dan met het lijden en ziektes? Waarom laat God slechte mensen hun zin krijgen? Waarom voorkomt God natuurrampen niet of beschermt hij ons er niet tegen? En hoe zit het met de dood van Jezus? Werd Jezus echt door God gestraft voor onze zonden? En Gods toorn? Waarom lijkt God soms zo overdreven te reageren en is hij zo gewelddadig in de Bijbel? En dan zijn er nog de oorlogen en genadeloze genocides die gepleegd worden door God en in Gods naam! Heeft God mensen niet aangezet tot deze wreedheden? De Bijbel zegt van wel. Op wat voor manier lijkt dat op Jezus? Veroordeelde Jezus dit soort gedrag niet als immoreel? Of staat God buiten de moraal en is hij niet gebonden aan zijn eigen eisen op het gebied van gerechtigheid en rechtvaardigheid? ‘Gij zult niet doden, tenzij ik het zeg.’ Maar dodelijk geweld is nog niet eens het ergste. Wat dacht je van de hel? ‘Ik hou van je, maar als je niet ook van mij houdt, zal ik je voor eeuwig martelen met vuur!’ Goed en liefdevol? Wat moeten we ermee als de ‘God van de Bijbel’ zo anders dan Christus lijkt te zijn? Soms lijkt zelfs Jezus het over deze God te hebben. Het is geen kwestie van gewoon maar het Oude Testament weggooien; God de wraakzuchtige koning krijgt een bijrol in verschillende gelijkenissen van Jezus. Lastig!

In de ogen van sommigen zijn dit geen oprechte vragen. Voor hen zijn dit aanklachten die bedoeld zijn om het geloof kapot te maken en het gesprek te doden. En veel te vaak zijn christenen deze dilemma’s niet onder ogen gekomen – vaak hebben we ontwijkend, defensief of agressief gereageerd. We hebben teruggeschoten op ‘de vijand’ (of een stroman), en zo hebben we ons zowel gemeen als dwaas opgesteld. Het gebrek aan een gezonde omgang met deze vragen heeft de kerk op grote schaal oppervlakkig gemaakt, het heeft een uittocht uit onze gemeenschappen tot gevolg gehad. En het heeft voor velen de deur naar het geloof definitief gesloten. We hebben het ook moeilijk gemaakt voor christenen die worstelen met deze lastige vragen. Zijn het deze vragen zelf die gevaarlijk zijn? Is het stellen van deze vragen al reden genoeg om iemand een ketter te noemen? Waarom zijn we zo bang? Wat als Christus deze uitdaging aankan? Wat als we, in plaats van onze handen in de lucht te gooien en met dooddoeners aan te komen, het risico zouden nemen om de verwoestende kracht van deze problemen te ondergaan? Wat als we, nadat we de zuiverende kracht van onze eigen atheïstische twijfels doorleefd hebben, zouden ontdekken dat we een sterk fundament hebben? Als Christus de Waarheid is, dan zal een aanhoudende zoektocht naar waarheid ons toch recht in zijn armen brengen?

En wat als het leven ons simpelweg geen andere keuze biedt? De hele menselijke pelgrimstocht door het leven, de dood en het hiernamaals is als een stookoven van een raffinadeur waar we alle- maal doorheen gaan. Alles wat brandbaar is, zal vergaan; alleen wat onwankelbaar is, zal blijven. En wat is er onwankelbaar? Jezus, de levende rots waarop het ware huis van geloof zal staan.

Blokkades opheffen

In het concrete bestaan, in de levens van echte mensen, zijn deze vragen niet zomaar wat recreatieve gedachte-experimenten. Ze hebben een relevantie van leven en dood. Het zijn vragen die ertoe doen. Ze zijn intens persoonlijk. Het zijn geen vragen die je even oplost in een genuanceerd apologetiek-debat.

Vorig jaar had ik een aantal spreekbeurten op een christelijke school. Ik poneerde de stelling dat als God er echt is, dan moet hij – willen we hem God noemen – goed zijn en dat de perfectie van die goedheid zichtbaar is in Jezus. Vervolgens deelde ik ‘Het Prachtige Evangelie’ uit, waar ik in hoofdstuk veertien verder op in zal gaan.

Na de sessie benaderde een leerling mij en vroeg om tien minuten van mijn tijd. We zullen haar hier ‘Jess’ noemen. Ze begon:
‘Ik ben vijftien jaar oud. Ik heb het christelijk geloof afgewezen toen ik twaalf was. Maar wat jij zegt, snijdt wel hout. Maar ik heb vragen. Heel veel vragen.’ Ze keek me met een serieuze blik aan, alsof ze verwachtte dat ik elk moment zou terugdeinzen.

‘Goed,’ zei ik. ‘Vragen zijn goed. Kom maar op.’
De vragen van deze tiener waren dezelfde vragen die ik al jaren hoor. Ik heb zelf ook met deze vragen moeten worstelen en normaal gesproken beantwoord ik ze grondig en met op de Bijbel ge- baseerde antwoorden. Maar hier was een tiener met tien minuten tijd en stapels pijn. Achter haar vragen stonden de verhalen die ze nog niet eerder had gedeeld op het punt om uit te breken. Mis- schien schrik je van de onbevangenheid en inhoud van mijn antwoorden, maar de urgentie van haar situatie vroeg erom. Ik hoop dat je door blijft lezen zodat ik verderop in het boek kan uitleggen hoe ik deze dingen kan zeggen. Voor nu is hier een glimp van onze dialoog.

Jess: Waarom lijkt Jezus zo liefdevol en God zo gemeen?
Brad: God is niet gemeen. Hij is precies als Jezus. En Jezus is niet gemeen.

Jess: Waarom stuurt God dan mensen naar de hel om ze daar voor eeuwig te laten branden?
Brad: Dat doet hij niet. Dat zou idioot zijn. De God van liefde, die als Jezus is, zou dat toch nooit doen? Dat zou toch nergens op slaan? Jess: Nee. Maar mijn oma was geen christen en ze is overleden en nu zijn er familieleden van mij die huilen en huilen, omdat ze zeggen dat ze in de hel is? [Ah, het verhaal komt boven tafel.]

Brad: Nou, ik kan me misschien voorstellen dat iemand die echt kwaadaardig was, verloren gaat. Zoals Hitler. Maar zou jij je oma kwaadaardig noemen?
Jess: [Tranen.] Nee.

Brad: Maar Jezus laat ons precies zien wie God is. Denk je dat je jouw oma aan zijn zorgzame handen kunt toevertrouwen?
Jess: [Zonder aarzeling.] Ja. [In gebed, geeft ze haar oma over in zijn handen. Rust.].

Jess: [Een opwelling van woede.] Maar waarom geeft God opdracht tot genocide in het Oude Testament? Waarom zou hij al die mensen doden, inclusief hun kinderen? En dan die 32 maagden die de priesters voor henzelf hielden. Wat denk jij dat ze met hen deden? [Oh nee. Ze heeft Numeri 31 gelezen!]

Brad: Seksslavinnen?
Jess: Ja.
Brad: Als God op Jezus lijkt, zou hij dat dan doen?
Jess: Nee.
Brad: Natuurlijk niet. Want God is precies als Jezus.
Jess: Waarom staat er dan dat hij dit deed?
Brad: Wat denk jij?
Jess: Omdat ze nog niet wisten wie God precies was? Ze omschreven hem gewoon op basis van wat ze dachten?
Brad: Zeker. Maar kun jij je voorstellen dat de vader in het verhaal van de verloren zoon, of de Vader waar Jezus tot bad, zoiets zou doen?

Jess: Nee.

Brad: Nou, dan denk ik dat hij dit ook niet gedaan heeft. [Rust.] Jess: [Meer tranen.] Ik heb nog steeds heel veel vragen. God is de schepper van alles, hij heeft alles in zijn macht en veroorzaakt alles met een doel, dus…

Brad: Nee.
Jess: Huh?
Brad: Zoals verkrachting? Veroorzaakt God verkrachting? Heeft verkrachting een doel?
Jess: Nee.
Brad: Nee! Verkrachting is gewoon slecht. Daar zit geen les in. Dat is niet hoe God ons lessen leert. En hij heeft niet alles in zijn macht. Daarom gebeuren er vreselijke dingen. Maar wij zouden ook niet willen dat hij alles in zijn macht had. Zou jij dat willen? Jess: [Schudt haar hoofd.]
Brad: Dus hij veroorzaakt nooit het kwaad en hij gebruikt zijn macht niet om te voorkomen dat wij kwaad doen. Maar hij zorgt wel voor ons. Hij heeft ons lief en wil degenen die door het kwaad beschadigd zijn genezen.
Jess: Drie mensen in mijn familie zijn mishandeld, maar ik niet. Ik kon dit niet begrijpen, omdat mensen altijd zeggen dat God alles in de hand heeft en dat alles met een reden gebeurt. [Ah, daar is het verhaal weer.]
Brad: Dus nee, God heeft dit op geen enkele manier veroorzaakt. Maar als God als Jezus zou zijn, zou je dan je familieleden aan zijn zorg kunnen toevertrouwen? Net zoals je met je oma deed?
Jess: Ja. [Zonder aarzeling. Ze doet het. Rust. Meer tranen.]
Brad: Kun je ze zien daar? [Ze knikt.] Hoe gaat het met ze? [Ze knikt nog meer.]
Brad: Waar komen die tranen vandaan? Waarom huil je?
Jess: Omdat ik je geloof.
Brad: Dus als God op Jezus zou lijken, zou je dan jezelf kunnen toevertrouwen aan zijn handen, zoals je met je oma en je familieleden hebt gedaan?
Jess: Ja. [Geen aarzeling. Ze doet het.]
Nu ik dit gesprek weer teruglees, valt me op hoeveel enorme blokkades er waren op Jess’ weg naar het geloof. In een paar minuten bombardeerde ze me met verwoestende issues, waaronder de hel, de dood van haar oma, het Oude Testament en geweld, schepping en de macht van God, en toen kwam ze ook nog even met kinderverkrachting. Maar na twintig jaar werk als pastor, kan ik wel zeggen dat ze geen uitzondering is. Ze vertegenwoordigt op aardige wijze de scherpe gedachten en gebroken harten van ongeveer tien miljoen mensen die de kerk hebben verlaten (alleen al in Amerika) sinds de millenniumwisseling.

Ook vond ik het storend om te lezen hoe simplistisch en eenzijdig mijn antwoorden klinken. Ik heb nog niet eens aangetoond dat ze kloppen. Maar ik heb dit kwetsbare gesprek gedeeld om iets aan te tonen dat urgenter is: de enorme noodzaak van een doordachte pastorale theologie, een antwoord voor onze hoop die we hebben (1 Pet. 3:15).

Hopelijk kunnen we werken aan een mooier antwoord dan: ‘Ja, God heeft alles in zijn macht; ja, hij draagt op tot genocide; en ja, je oma is in de hel, samen met alle verkrachters en waarschijnlijk ook met jou, op een dag.’

De openbaring van de liefde van de Vader

De overkoepelende vraag die alles in Zo Zoon, zo Vader met elkaar verbindt is: ‘Wie is God nou echt?’ Ik geloof dat er een aantal redenen is waarom we deze eeuwenoude vraag opnieuw stellen, waarvan sommige negatief en andere positief. Misschien is de beste reden dat we deze vraag weer zijn gaan stellen dat God zelf dit vraagproces in gang heeft gezet. Hij onthult wie hij is op een nieuwe manier, die eigenlijk oeroud is; de manier waarop Jezus het al onthulde.

Ik verwijs hiermee naar hoe Christus ons beeld van zijn liefdevolle Vader tot bloei heeft doen komen, in het bijzonder de afgelopen dertig jaar. Een steeds groter wordende groep gelovigen is gaan schrijven, denken, zingen en preken over het zogenaamde ‘Vaderhart’ en heeft dit ook persoonlijk ervaren. Als gevolg hiervan zijn veel mensen bijna vergeten hoe bedreigend, streng en veroordelend de God van onze jeugd kon zijn. We hebben enorme stappen gezet. Soms vergeten we de massa’s die de lokale kerken uit zijn gevlucht en deze upgrade, die wij als vanzelfsprekend be-schouwen, nog niet hebben gehad. Of zijn ze nou juist hierom gevlucht, dat God in hun levens toen al het beeld dat ze van hem hadden aan het vernieuwen was, terwijl de gemeentes die ze bezochten hier nog niet klaar voor waren?

Uiteraard, niet iedereen is in elkaar gedoken van angst voor deze straffende God – de ‘machtige slachter’ – maar veel lezers zullen zich de boodschappen vol hellevuur en de moraliserende donder- preken van evangelisten en zogenaamde profeten wel herinneren. Hun tirades klonken ooit heel plausibel. Nu we het hart van de Vader hebben ervaren, klinken ze eerder komisch dan eng en vragen ze om persiflages in cartoons. Sommigen zullen zich de verstikkende regels van ‘heiligheid’ herinneren die veel van de geneugten van het leven op verboden terrein plaatsten. Ons werd aangeleerd obsessief verontwaardigd te raken over allerlei zonden – zelfs zonden die nergens in de Bijbel terug te vinden zijn. Volgens aartsbisschop Lazar Puhalo is de morele verontwaardiging over de zonden van anderen vaak een teken van iemands eigen onderdrukte verlangens. Hebben we de hel soms zelf nodig om onze jaloezie op zondaars op afstand te houden? Een pastor in mijn stad gaf zelfs toe dat hij zonder de dreiging van de hel geen christen zou zijn. De genade en vergeving van Christus was niet genoeg voor hem of, dacht hij, voor zijn gemeente. Als je dit combineert met de bizarre heksenjachten hebben we gewoon een opnieuw tot leven gewekt puritanisme, maar dan nog heftiger. Maar de angst voor de straffende God bracht allesbehalve rechtvaardigheid, het veroorzaakte juist een rampzalige contrarevolutie van hedonisme. ‘Ik ga toch wel naar de hel. Laat ik er hier dan maar het beste van maken.’

Achter al deze ongezonde theologie zat een kapot en vertekend beeld van God – een God die op elk moment met geweld kon toeslaan. Bekeer je en alles is vergeven. Maar ga heen en zondig niet meer, anders zou er weleens iets veel ergers kunnen gebeuren. Deze God was wreed en instabiel (en zijn bestaan werd bewezen met Bijbelhoofdstukken en -verzen).

Gaandeweg vond er een nieuwe en schitterende openbaring plaats. Of in ieder geval ‘nieuw’ voor veel moderne evangelicalen die opgegroeid waren met een dieet van moralisme en hellevuur-evangelisatie – zoals het ook ooit nieuw was voor veel van Jezus’ eerste fans. Velen ontdekten het ‘aloude verhaal’ opnieuw, zoals de vele vorige generaties dit ook als vernieuwing ervaren hadden.

Ieder van ons moest dit goede nieuws persoonlijk ervaren. Deze openbaring bestond onder andere uit de volgende elementen:

–  een frisse nadruk op God als genadige en gastvrije Vader;

–  die ons wint door liefde in plaats van dreiging;

–  die ons accepteert en bewondert terwijl we nog een puinhoop van ons leven aan het maken zijn;

–  die ons ziet zoals we zijn en ons herstelt door omarmingen in plaats van afstraffingen.

Eindelijk leerden we dat het Gods goedheid is die ons tot inkeer wil brengen (Rom. 2:4) en dat het alleen de genade van God is die ons leert ‘goddeloze begeerten’ af te wijzen (Tit. 2:11-12). Wat de kerk op grote schaal bij uitstek nodig had – en waar de wereld meer dan klaar voor was – is een God die als Jezus is en dus ook een kerk die als Jezus is (we imiteren immers wat we aanbidden). Ik heb de indruk dat dit frisse besef van de liefde van de Vader zich wijdverspreid heeft en de harten heeft geraakt van mensen uit veel verschillende landen. Ik kwam voor het eerst persoonlijk in contact met het ‘Vaderhart’ via onderwijs bij JmeO (Jeugd met een Opdracht) en bij conferenties van Vineyard. Ik begon het te horen in populaire aanbiddingsmuziek, zoals het album Father’s House van Brian Doerksen. Ik las erover in boeken zoals Kind aan huis van Brennan Manning en Genade, wat een wonder! van Philip Yancey.

Het belangrijkste van alles was niet dat over de boodschap van de liefde van de Vader werd gepreekt, geschreven en gezongen; veel gelovigen begonnen het te ‘begrijpen’ op het niveau van hun hart en dat vernieuwde hun geloof en veranderde hun levens.

Mijn eigen vriendenkring merkte ineens op dat Jezus’ favoriete beeld van God dat van Vader was (zeventig keer in de evangeliën!). Jezus liet ons in de evangeliën zien wat vaderschap voor hem betekende: overmatige liefde, bevestiging, genegenheid en een thuis. Het betekende onbetamelijke genade en acceptatie. Jezus liet ons zien dat deze bovennatuurlijke, veilige, gastvrije liefde van de Vader zich uitstrekte naar de mensen die er een enorme zooi van hadden gemaakt al voordat zij berouw hadden en voordat ze geloof hadden. Beter gezegd: hij herdefinieerde berouw en geloof als simpelweg naar hem komen, met al je bagage, om zijn goedheid en genade te proeven. Hij leek onze zelfhaat niet nodig te hebben. Het berouw dat hij verlangde was dat wij zijn genade zouden verwelkomen in onze diepste nood en wonden.

Theologen als James Alison en Anthony Bartlett leerden mij hoe het hele verhaal van Jezus God zelf compleet herdefinieerde. Wij zijn Jezus’ revolutionaire visie van God als Abba aan het heront- dekken in onze generatie. Door God Abba te noemen, introduceerde Jezus een omgang met God die zo dichtbij en intiem was dat het de religieuze ideeën volledig op z’n kop zette.

Bij Jezus’ omschrijving van God als Vader komt ook nog eens de verrassende uitspraak die hij deed bij het laatste avondmaal: ‘Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh. 14:9). Op een of an- dere manier moeten we deze woorden opnieuw binnen laten komen. Misschien zijn we te gewend geraakt aan deze zin, maar dit is wat ik wil zeggen met de titel van dit boek. Voor ons eigen best- wil moeten we misschien voorlopig even stoppen met onszelf ervan te overtuigen dat Jezus God was en is, en ons in de eenentwintigste eeuw bezighouden met het idee dat God als Jezus is. Precies als Jezus. Wat werd er zichtbaar toen het voorhangsel dat God verborgen hield, in tweeën scheurde? Een lijdende Knecht die hangt aan een kruis (Zach. 12:10, Jes. 52:13 – 53:12)! Dus elk menselijk concept van God dat we er voorheen op nahielden is met wortel en tak uitgetrokken!

We beginnen met het afbreken van valse beelden – het afbreken van afgodsbeelden in de traditie van Jeremia 1 – voordat we verdergaan met het bouwwerk. We zullen ons nu richten op het sloopwerk.

Denkpauze

–  Wat zijn godsbeelden die bekend zijn in onze cultuur? Hoe stellen mensen die niet gelovig zijn zich God voor? Hoe denk jij dat deze beelden verschillen van hoe God echt is?

–  Vergelijk de godsbeelden in verschillende kerkculturen en christelijke bewegingen met elkaar. Vergelijk de godsbeelden uit verschillende religies met elkaar. Op wat voor manier zeggen deze gevarieerde visies op God iets over de gelovigen zelf?

–  Welk wantrouwen heb jij naar de God van je eigen traditie? En die van je eigen begrip? Als God groter en beter is dan die hokjes, wat zou God jou dan willen laten zien?

–  Als we geneigd zijn misvormde en beperkte beelden van God te maken, hoe zouden we hier dan uit kunnen breken op weg naar een duidelijkere visie? Hoe zou God in kunnen breken om ons de waarheid te laten zien?

–  Wat wilde Jezus dat wij zouden zien van God? Hoe verschilde zijn visie op God van alles wat aan hem voorafging? Op welke manier zou zijn visie op God nog steeds kunnen verschillen van de onze?

Gebedspauze

God, wie bent u? Ik wil u kennen maar mijn beeld is zo misvormd, mijn verstand zo klein, mijn hart zo begrensd. Hoe zou u ooit in dat soort kleine hokjes kunnen wonen? Ah, maar dat doet u natuurlijk niet. Dat doe ik. Red mij uit de gevangenis van mijn zwakke begrip. Ontsteek de lichten zodat ik een glimp op kan vangen van dezelfde Eeuwige Liefde die Jezus openbaarde. Geef mij de gave van Jezus’ visie die brandt door de mist die mij blind maakt voor de pure goedheid. Heer, laat het zo gebeuren!

Geloofsuitspraak – Verwijst naar een aanname die we geloven in vertrouwen, maar niet kunnen aantonen in een rechtszaak of kunnen uittesten in een laboratorium. Maar bewijs is noch nood- zakelijk noch voldoende voor geloof. Er zijn genoeg redenen te bedenken voor dit vertrouwen en we zouden zelfs met recht kunnen zeggen: ‘We weten.’ Vergelijk het werk van Alvin Plantinga, zoals Warrant and Proper Function.

Negatieve theologie – Ook wel bekend als via negativa (negatieve weg) of apofatische theologie. ‘Apofatisch’ komt van het Griekse woord voor ‘ontkennen’. Het definieert God door onze definities van God te ontkennen.

Goddelijke energieën – zijn God zelf aan het werk. Ze zijn niet het hetzelfde als Gods eigenschappen, maar veel meer God zelf in zijn daden, in zijn activiteit, in zijn zelfopenbaring naar ons toe.
We zullen nooit doordringen tot de oneindige dieptes van Gods kern, maar Gods ongeschapen energieën doordringen onze wereld en onze levens.

Een andere term die we gebruiken voor dit fenomeen is: ‘de genade van de Heilige Geest.’

Incarnatie – verwijst naar de grote waarheid dat in Christus God mens is geworden. Zoals in Johannes 1:14 staat: ‘het Woord is mens geworden.’ Sommigen gebruiken het woord incarnatie al- leen voor het begin en beperken het tot de geboorte van Jezus. De incarnatie verwijst echter naar het hele leven van Jezus en naar Jezus zelf. Jezus is namelijk de Incarnatie van God.

Kruisvormig – betekent in de vorm van een kruis of in de vorm van de kruisiging. Een kruisvormige God is de God wiens aard (liefde) geopenbaard wordt door ‘Jezus Christus – de gekruisigde’ (1 Kor. 2:2).

Apologetiek – is de studie naar hoe je kunt reageren op tegenwerpingen tegen het geloof. De apostel Petrus schreef: ‘Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden. Doe dat dan vooral zachtmoedig en met respect’ (1 Pet. 3:15). Helaas, als we niet in de kracht van het evangelie vertrouwen, vervallen we nogal eens in apologetiek als tactiek om iemand met redeneringen en argumenten gelovig te krijgen.

Evangelicaal – verwijst naar de beweging die betrekking heeft op de protestantse, westerse uitingen van het christelijk geloof, in het bijzonder naar de conservatieve en op opwekking gerichte varianten. Als ik het heb over ‘evangelisch’ of ‘evangelie’ bedoel ik het christelijk geloof in het algemeen en de boodschap van het goede nieuws (evangelie) dat Jezus de Redder van de wereld is.

De kerk – is een term die gebruikt wordt voor (i) een vaag universeel idee, (ii) het zichtbare koninkrijk van God op aarde, (iii) elk christelijk instituut of christelijke beweging, (iv) lokale of translokale gemeentes of gemeenschappen, (v) concrete gebouwen en/of de vieringen en aanbiddingsactiviteiten die erin gehouden worden. Ik gebruik ‘kerk’ normaal gesproken om te verwijzen naar het geheel van ‘Gods volk’ (1 Pet. 2:10), ‘één met Christus’ (2 Kor. 5:17), gered uit genade door geloof in zijn naam (Joh. 1:12). Ik zal bijvoeglijke naamwoorden gebruiken (vroege, westerse, lokale, zichtbare) als ik verwijs naar een specifieke gemeenschap of instituut. De kerk is meer dan een instituut. Leraren als Ignatius van Antiochië en Justinus de Martelaar zagen de kerk als een ras – het ras van Christus in plaats van het ras van Adam. Paulus zag de kerk als Christus’ lichaam, waarin wij door de doop zijn opgenomen (1 Kor. 12:13). De kerk is ook een geloofsfamilie waarin we geadopteerd of herboren zijn als geliefde kinderen van God. De kerk is ook de eettafel van de Heer, waar we verenigd zijn door samen zijn maaltijd te delen (Christus’ lichaam en bloed).


Zo zoon, zo vader – De God die als Jezus is  | Bradley Jersak | paperback | 400 blz. | € 19,99 

Het boek is te bestellen bij uitgeverij Kok