Het harde werk van tweede kansen

Het harde werk van tweede kansen

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Het harde werk van tweede kansen

De slagen weergalmden door de oude fabriekshal. Met stalen pennen, aan het uiteinde van elk een letter, werden bekentenissen letter voor letter in de tafel geslagen. Dirk had hem gemaakt, decorbouwer en betrokken bij PopUpKerkRotterdam, van resthout want dat vonden we kloppen. Iedereen die het kunstevent bezocht kon een biecht opschrijven, wij ramden het in de tafel. Zodat het nooit weer uitgewist kon worden. Al letters slaand, kwamen er bezoekers binnenwandelen die ik dan welkom heette bij de Biechttafel en nodigde om iets genants, iets wat ze stom gedaan hadden, een biecht, wat dan ook, op te schrijven en achter te laten.

De één keek meteen afwerend. Ik heb niets te biechten. Geen idee. Wat zou ik nou verkeerd hebben gedaan? Het is deels de reflex die altijd optreedt bij participatieve kunst: ik heb niks voor je hoor. Deels iets anders. Er reageren namelijk anderen meteen met: heb je even? Waar zal ik beginnen? Bij de één ligt de toegang tot zijn of haar falen aan de oppervlakte, bij de ander diep daaronder.

Sinds 2012 spelen we op meerdere manieren met de biecht met het gezelschap van StroomWest en/of de PopUpKerk. Niet wekelijks maar het thema keert altijd terug. Ook Ida van der Lee, de pionier van community art is gefascineerd door het thema. Het is de eerste keer dat ik iemand met dezelfde liefde als ik voel over spijt, wroeging en falen hoor praten. Hoe mooi dat is, hoe urgent.

Vandaag staat er in de oudste tekst dat als de Joden bij aankomst god zullen proberen te vangen in godsbeelden, vastleggen in hout, steen of stro – zodat hij grijpbaar, manipuleerbaar en buiten jezelf komt te liggen – dan zullen ze als volk kapot gaan en verstrooid worden over de wereld. ‘Daar zult gij goden kunnen vereren’ staat er,  ‘maar zoekt ge dan Jahweh uw God weer, dan zult ge hem vinden als ge hem tenminste zoekt met heel uw hart en heel uw ziel’

Vinden? Ja. Maar, ‘als ge hem tenminste zoekt met heel uw hart en heel uw ziel.’ Je bent in den vreemde, je hebt het verkloot, je rommelt maar wat aan – en dan met heel je hart en heel je ziel? Dat is nog niet eenvoudig. Dan moet er een nogal een urgentie zijn. Nogal een diep doorvoeld besef dat je het werkelijk verkloot hebt. Dat dit zo niet kan en mag en dat dit het roemloze einde is van de hoop voor de wereld. En dan pas, met toewijding, zal God zich laten vinden, zéker laten vinden, dat ook.

Het kan. Maar het is hard werk. Zoals het laten terugkeren, weer ontvangen van iemand die gefaald heeft ook verschrikkelijk hard werk is. Het is Paulus die vanochtend in duidelijke termen opdracht geeft. ‘Met de berisping ide gij hem in meerderheid hebt toebediend hij voldoende gestraft. Nu  moet gij hem vergiffenis schenken’. Moet. Niet: als je eraan toe bent, misschien moet je eens overwegen, nee: moet. Het klinkt urgent. ‘Anders wordt hij nog door droefheid overmant’ staat er. ‘Ik verzoek u dan: neem het besluit hem lief te hebben.’ Toch ook een verzoek, maar een verzoek om een besluit. Niet: ik verzoek u hem lief te hebben, nee ik verzoek u te besluiten hem lief te hebben.

Het vraagt een wilshandeling, een overtuigde keus, tegen heug en meug en onderbuik. Kiezen om lief te hebben, ook al is iemand een eikel in je ogen, kiezen. En vergeven omdat anders er iets onherstelbaar beschadigd. En waarom, zegt Paulus ‘wij moeten de satan geen kans geven ons de baas te worden.’ Hard werk, grote urgentie. Tweede kansen is niet zomaar. Hard werk om terug te keren, om te erkennen, om te geloven dat het kan en voor jou is. En hard werk om kansen te geven, te vergeven, lief te hebben.

In de teksten van Jezus van Nazareth is er meer hoop voor degenen die gefaald heeft en zich dat realiseert dan voor degenen die niet falen. Of menen niet te falen.

Aan tafel kwam een man staan, terwijl ik een nieuwe bekentenis in het hout ramde. Hij keek even, luisterde naar de uitleg, pakte een papiertje en schreef: alles is ijdelheid. Ik vroeg hem naar zijn biecht, hij keek moeilijk. Alles is ijdelheid, zei hij. Zo’n biecht hier op tafel: ‘ik heb tante akkie geholpen de belasting op te lichten.’ Trotse ijdelheid. Dat hele gebeuren hier is ijdelheid.’ ‘Weet je dat, vroeg ik? Nee, dat denk ik. Ok. Wel nogal een oordeel.’ ‘Nee hoor’, zei hij, ‘ik vind het gewoon.’ ‘Maar heb je iets waar je spijt van hebt?’ Hij was stil, keek naar de tafel, drukte het briefje in mijn hand en zei: ‘doe er maar iets mee als je wilt.’

Dat doe ik, maar niet in de tafel. Wel aan tafel, om te tonen dat niet geloven in vergeving, in de handeling van opbiechten en er ruimte voor creëeren, problematisch is. Misschien geloofde hij gewoon niet in kunst, dat kan ook. Fair enough. Maar ook was er geen toegang tot de spijt. En hoe kom je dan tot focus, tot opnieuw beginnen. Heb je falen nodig? Dat weet ik niet. Maar het is ook een vreemde vraag, want het is er toch. Dat falen. Kunnen we het maar beter gebruiken. Bij onszelf voor focus, en falen bij de ander om te leren wat het is om te besluiten om lief te hebben en het niet alleen maar wel of niet te laten gebeuren.

Goeds.

Deuteronomium 4:25-31

2 Korintiërs 1:23 – 2:17