Hoe schop je jezelf uit je hoofd naar de liefde toe?

Hoe schop je jezelf uit je hoofd naar de liefde toe?

Job schreef een gepeperd commentaar naar aanleiding van een debat tussen Arjen Lubach en Emanuel Rutten. Maar doet hij eigenlijk niet hetzelfde als waar hij die twee van beschuldigt, namelijk het vieren van het eigen gelijk?

Onlangs was ik in de Martinikerk in Groningen bij een debat tussen Arjen Lubach en Emanuel Rutten. Het werd een clash tussen een christelijk opgevoede tv-presentator die zijn geloof verloor en atheïst werd, en een areligieuze wiskundige die tot geloof kwam en theïstisch christen werd. Ik schreef er een verslag over voor Dagblad van het Noorden, dat door de ergernis die beide heren bij me opriepen nogal gekleurd uitviel. En die ergernis ergert me nu.

Ik zal het proberen uit te leggen. Het antireligieuze wereldbeeld dat atheïsten uitdragen is doorgaans filosofisch heel dun. Het is vaak gebaseerd op een simplistisch godsbeeld. De meeste atheïsten strijden als Don Quichot tegen de windmolens en Arjen Lubach bleek geen uitzondering. Daar tegenover stelde Rutten een theïstisch godsbeeld dat weliswaar filosofisch knap is uitgewerkt (hij heeft zelfs een nieuw godsargument ontworpen), maar volgens mij meer wind dan Geest bevat.

Afgeknapt op het idee van een oppermachtige, allesbesturende God

De discussie spitste zich toe op de rationaliteit van het bestaan van God. Beiden erkenden dat niet te kunnen bewijzen. Lubach is er weliswaar voor 99,9 procent van overtuigd dat God niet bestaat, maar noemt zichzelf vanwege die ontbrekende 0,1 procent ‘theoretisch agnost’. Rutten verloor zich in tamelijk virtuoze theoretische redeneringen (inclusief een heuse definitie van God) die duidelijk moesten maken dat er heel goede rationele argumenten zijn voor het bestaan van God.

Wanneer gaan ze het nu eens over liefde hebben?

Na anderhalf uur waren Lubach en Rutten geen millimeter dichter bij elkaar gekomen. En ik dacht alleen maar: wanneer gaan ze het nu eens over liefde hebben, over de zorg voor je naaste, of over het goede leven. Daarbij merkte ik dat ik meer sympathie op kon brengen voor Lubach dan voor Rutten. Ik kan me namelijk goed inleven in Lubachs atheïsme. Net als hij ben ik afgeknapt op het idee van een oppermachtige, allesbesturende God die vanuit de hemel aan de touwtjes trekt en een kerk die je precies voorschrijft wat je dient te geloven en wat je wel of niet mag doen. Maar met Ruttens alternatief – een God wiens bestaan rationeel beargumenteerd moet worden – kan ik helemaal niks.

Wat dat betreft zou ik me, in navolging van Lubach, ‘theoretisch a-theïst’ noemen (inclusief streepje). Niet omdat ik denk dat God niet bestaat, maar omdat de vraag naar Gods bestaan – waar theïsten zich zo druk over maken – volgens mij irrelevant is en zelfs neigt naar godslastering. Want onderwerp je God daarmee niet aan een menselijke categorie (‘bestaan’)? En is Zijn werkelijkheid soms afhankelijk van de mens en diens oordeelsvermogen? Dat lijkt me – religieus gezien – de omgekeerde wereld.

Hoe kunnen we een zinvol gesprek aangaan?

Het debat was onderdeel van een Nacht van de Levensbeschouwing en na afloop dwaalde ik enigszins verloren rond in de kerk, waar op verschillende plekken andere sprekers hun eigen waarheid verkondigden. Ik werd er moedeloos van en vroeg me af: Hoe kunnen we uit onze eigen denkkaders treden en een zinvol gesprek aangaan met mensen die een heel andere levensopvatting hebben? Hoe maken we echt contact?

Wetenschappers en filosofen die opgesloten zitten in hun eigen wereldbeeld

In mijn studietijd had ik dat gevoel ook regelmatig als ik weer eens in een discussie was beland waarin verschillende theoretische posities te vuur en te zwaard werden verdedigd. Het viel me telkens weer op hoe groot het onderlinge onbegrip was tussen weldenkende mensen die de wereld benaderden vanuit een ander rationeel perspectief. Hoezeer ook wetenschappers en filosofen opgesloten zitten in hun eigen wereldbeeld en hun eigen grondslagen nauwelijks ter discussie willen stellen. Hoe moeilijk het is om tot een echt gesprek te komen met iemand die in een andere wereld lijkt te leven.

Je eigen gelijk vieren, is jezelf isoleren

Het duurde een paar dagen voor ik me realiseerde dat ik zelf precies zo ben. In het verslag in de krant wilde ik toch vooral mezelf en mijn eigen ideeën naar voren brengen. Vandaar die ergernis over mijn ergernis. Ook ik zit opgesloten in mezelf, in mijn eigen denkkader. In plaats van te zoeken naar verbinding, naar overeenkomsten, wilde ik mijn eigen gelijk vieren. En dat gaat altijd ten koste van anderen.

Jezus heeft ons niet voor niets radicale openheid ten opzichte van de ander voorgeleefd. Afgaande op alle kerkscheuringen in de loop der eeuwen en de theologische scherpslijperij die ermee gepaard ging, is die openheid wel een problematisch dingetje in het christendom. Maar dat is een schrale troost. Want je eigen gelijk vieren is jezelf isoleren. En dat is het kwade doen in plaats van de liefde.

Hoe ontworstel je je aan je eigen gelijk?

Ik kan wanhopig worden van mijn eigen gedachten, die soms aanvoelen als een gevangenis. Dan kijk ik met bewondering naar mijn vriendin, voor wie de ruimte van God een vanzelfsprekend toevluchtsoord is. Rationele overwegingen doen er voor haar niet toe, omdat ze weet dat het daar niet om gaat in het geloof. Het gaat om liefde doen, om overgave in vertrouwen, om barmhartigheid. ‘Laat het gaan’, zegt ze vaak. Ze weet dat ik de neiging heb om me op te sluiten in mijn hoofd, en dat ik daar geen aangenaam persoon van word.

Hoe leer je echt te luisteren naar de ander?

Maar hoe laat je los waar je altijd mee geleefd hebt? Hoe ontworstel je je aan je eigen gelijk? Hoe schop je jezelf uit je hoofd naar de liefde toe? En hoe overwin je de twijfel die je verlamt achter je toetsenbord? Ik ben er inmiddels wel achter dat naar de kerk gaan een van de antwoorden is. Samen bidden en samen zingen zijn een grote troost, waar je in kunt opgaan zonder te rationaliseren. Maar het houdt natuurlijk niet op als je de kerk verlaat.

Hoe beschouw je op een zinvolle, liefdevolle manier zo’n debat tussen twee mensen waar je het hartgrondig mee oneens bent? Hoe leer je echt te luisteren naar de ander? Misschien begint het met spreken met vraagtekens en aarzelingen, in plaats van met punten en uitroeptekens. Misschien moet ik meer zwijgen en minder praten of denken over God. En vooral meer doen.


Job van Schaik (51) woont in Groningen en werkt op de cultuurredactie van Dagblad van het Noorden. Hij groeide op in de Vergadering van Gelovigen, maar nam op z’n 17e afscheid van God en van het geloof. Sinds een half jaar bezoekt hij met zijn vriendin regelmatig de eredienst in de Laarkerk in Zuidlaren (PKN). Voor Lazarus zal hij de komende maanden verslag doen van zijn zoektocht.