Het lijf als the place to be

Het lijf als the place to be

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Het lijf als the place to be

Op de zondagochtenden met de PopUpKerk beginnen we de lezing van de bijbeltekst altijd met een ademhalingsmeditatie. Even in het lijf zakken, heet het dan. Realiseren dat je een lijf hebt en niet alleen maar een hoofd. Men zegt dat het een Westers probleem is dat we zo ‘lijfloos’ leven. Dat zou kunnen. Ik vind het altijd weer verrassend als ik tegen mezelf en de anderen op zondag in de stilte zeg – als we met de ogen dicht even op onze ademhaling letten –  ‘Word er even bewust van dat je voeten hebt’, dat ik dan opeens voeten heb. Ze waren er wel, maar nogal afwezig.

Je hoeft je niet helemaal zelf overeind te houden

Misschien lekker om gewoon even te doen. Even terwijl je leest of luistert. Even rustig ademhalen. Bewust en rustig. Bewust de adem naar binnen laten gaan, door je lijf heen en weer laten ontsnappen. Adem in door de neusvleugels en uit door de mond. Rustig en bewust. En dan bewust worden van je voeten. Of ze warm zijn, of koud, hoe ze voelen. Alles is goed, het is alleen maar even bewust worden van wat er is. Blijven ademen. Realiseren dat je benen hebt, onderbenen, kniëen, bovenbenen. Voel hoe je zit of ligt. Welk deel van je lijf de stoel, de bank, het bed raakt. En dan je iets laten zakken. Even je laten dragen. Je hoeft je niet helemaal zelf overeind te houden, je wordt gedragen. Je handen, je schouders, nog steeds bewust van je voeten? Rustig blijven ademen. En als we dat zo even door doen en ik vraag de ogen te openen als we klaar zijn, rekt iedereen zich vergenoegd uit en mompelt her en der iemand dat dit het lekkerste moment van de zondagochtend is. Daarna lezen we pas de tekst.

En ik vind het gewoon prettig. Het werkt. Maar er is meer. Dit zegt Paulus vanochtend namelijk, daarom moest ik eraan denken: ‘Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk.’ Wijzelf zijn de tempel. Jouw en mijn lijf, jouw en mijn geest, jouw en mijn ziel en jouw en mijn verstand. Daarin woont blijkbaar de godheid. Als er nog eens iemand gelooft dat we allemáál God zijn vanuit hip-westers-boeddhistisch perspectief en tegen dat hele idee van een externe God out there met een moraal en een geheven knoet om de mens mee te meppen, dan heeft hij of zij  gelijk. In zoverre dat die godheid, dat goddelijke zijn plek om te leven gekozen heeft in de mens. Waar jij en ik ga, gaat hij, waar we aanwezig, is hét aanwezig.

Dat noopt tot bewustzijn van het lijf. Tot het aanzetten ervan en bewust worden. De lichtjes aansteken in de tempel, zeg maar. De vloer vegen en de gordijnen uitkloppen. Zodat het lijf werkelijk helemaal meedoet.

Een plek voor God om te verblijven

Paulus uitspraak dat wij een plek zijn van het goddelijke is niet alleen een constatering, het is vooral een oproep. Wees het dan ook. Als Etty Hillesum in het concentratiekamp; ‘men moet toch kunnen zeggen achteraf dat God hier is geweest, waarom zou ik dat niet zijn; een plek voor God om te verblijven.’ Het is een keuze van haar, een bewustwording. En dat is volgens de teksten van de Bijbel steeds weer aan de outsiders gegeven. Zij zien het makkelijker dan de insiders, de kerkgangers, de tempelliefhebbers en de religieuzen. Aan hen is te zien dat God out there, waar ze heen gaan, waar de religie is, waar zij aan verbonden zijn.

Het zijn de outsiders, die op de cultureel-goddelijke plek niet mogen zijn. Wiens plek het niet is. Het zijn de niet-religieuzen, of de niet-heiligen die het eerder zien. Zij zijn namelijk al out. Zij kunnen zich niet identificeren met die plek, dat gebouw, die vorm of die cultuur, want zij horen er niet bij.

In ons, niet van ons

Als Jezus van Nazareth tien melaatsen geneest vanochtend en hen naar de tempel stuurt om zich te laten controleren of ze genezen zijn, komt er maar één terug; een Samaritaan. Een outsider. Hij valt op de kniëen en dankt. Jezus zegt: ‘Waar zijn de andere negen? Wilde niemand terugkomen om God eer te bewijzen dan deze vreemdeling? (detail: God eer bewijzen doe je duidelijk dus niet in de tempel, die heeft een medische, culturele functie hier). Hij zei tegen de Samaritaan: ‘Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.’

Het zijn de outsiders in de bijbelse teksten die insiders leren waar het goddelijke huist. Het is Ruth, het is deze Samaritaan, zij tonen de grenzeloosheid en de universaliteit van wie God is. Hij woont in het lijf, onder mensen, en de weg is dankbaarheid en bewustwording en overgave. Dan word je vanzelf die bron, dan breng je zelf datgene in de wereld waar je zo verlangend naar kan zoeken. Goed concept eigenlijk. In ons, niet van ons. Met ons mee, maar niet automatisch. Onopgemerkt, tenzij we danken. Vertrouwd, maar vreemd. Om steeds weer een beetje meer iets van te ontdekken.

1 Samuël 6:1-16

Handelingen 5:27-42