Proost. Op onze lege handen

Proost. Op onze lege handen

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Proost,  op onze lege handen – popupgedachte vrijdag 30 juni 2017

‘Kom als je honger hebt of dorst, hier kun je eten deel met ons’ zongen Antonie Fountain en anderen van het songwritercollectief ‘Schrijvers voor Gerechtigheid’. We hadden samen gewerkt aan het realiseren van de Vluchtkerk, een oude betonnen leegstaande kerk die we samen met anarchisten, activisten, politiek actievelingen, kerkmensen en kunstenaars gekraakt en ingericht hadden voor uitgeprocedeerde vluchtelingen die protesteerden tegen de manier waarop ze in dit land moesten leven.

‘Welkom in Gods huis’ was het refreintje. ‘Welkom, welkom thuis.’ Een thuis was het min of meer, soms. Ondanks de schimmel, de verveling, de onderlinge spanning en ruzie, de ziekte en de uitzichtloosheid, ondanks dat werd er soms gevierd, samen gegeten, vriendschappen gesmeed.

Wij als ingezetenen van het land, met een paspoort, bouwden als een malle aan een huis zonder te kunnen doen wat echt nodig was. Een werkelijk thuis, een papiertje, een toekomst. En soms voelde het belangrijk, wij konden wat voor deze mensen betekenen. Dit was onze christenplicht ofzo.

En dat is niet waar. Het bieden van onderdak is niet de eerste christenplicht, denk ik. Het weten dat jouw onderdak een cadeau is aan de haveloze zwerver die je zelf ten diepste bent, dat is de eerste plicht van het ge-weten.

Elk jaar bij de oogst moest het eerste wat van het land kwam door de Joden naar de tempel worden gebracht in korven en manden en daar moest de landeigenaar uitspreken: ‘Mijn vader was een zwervende Arameëer (hier wordt gedoeld op Jakob), in Egypte werd hij een machtig volk, maar zij maakten hen tot slaaf. JHWH heeft hen gehoord en uit Egypte geleid en ons dit land geschonken van melk en honing. Daarom breng ik nu de eerste vruchten van de grond die gij JHWH mij hebt geschonken.

Vervolgens moesten ze met de priesters feestvieren. Neerleggen, neerbuigen, feestvieren. Omdat we met niets op de wereld komen, en alles wat we onderweg opdoen ons ook steeds weer door de vingers glipt, het wordt ons gegeven, soms nemen we het. Als we het hebben, blijkt het vaak toch niet te geven wat we willen. We verliezen ook weer van alles; vriendschappen, geld, zelfrespect, liefde, familie, ouders, kinderen soms. Dat gebeurt onderweg. En het eerste wat de God van Israel aan zijn volk leert is niet om liefdadigheid uit te voeren, maar om te bedenken dat we niets mee hebben gebracht en te proosten op onze lege handen waar op miraculeuze wijze nu ineens wijn, brood of vriendschap in ligt.

Het zijn krachtige rituelen. De offers van de ‘eerstelingen’ zoals dat heet, toen. En de dankgebedjes nu. De kaars of de dagboekaantekeningen waarin we realiseren hoeveel er gegeven is. Het rottige is dat elk ritueel kapot kan. ‘Dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als de tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten.’ Zo sprak de gelovige. Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen. Hij klopte zich op de borst en zei: God wees mij zondaar genadig. Ik zeg u, zegt Jezus, deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere.

Even tussendoor: er is iets misgegaan in het ontwikkelen van Nederlandse uitdrukkingen. Degene die zich hier op de borst klopte, was degene die stond te treuren dat hij niets te brengen had, een treurritueel. Wij hebben de borstklopperij per ongeluk aan de gelovige hier gehangen die blij was dat hij een beter mens was dan de andere.

Punt is: niets brengen, realiseren dat je nauwelijks dankbaar bent en ook nog eens slecht handelt ten opzichte van je volksgenoten is een weg met meer toekomst dan trots de rituelen doen. Niet het zorgen voor andere mensen is de sleutel, maar het realiseren dat er soms zomaar voor je wordt gezorgd. Niet het geven om een ander, maar de vanzelfsprekendheid van het geven om een ander waar je niets mee hebt, omdat er om jou werd gegeven terwijl je niet wist waarom iemand iets met je zou moeten hebben. Dat is de ziel van de beroemde Joodse zin; een zwervende arameeer was mijn vader. Proost, op de lege handen. Neerleggen, neerbuigen en opstaan om feest te vieren. Dagdagelijks. Een goed weekend!

 

1 Samuël 9:1-14

Handelingen 7:17-29

Lucas 22:31-38