Paul Young rekent af met waanideeën over God in ‘God is goed en ik niet’ #leestip

De komende zomerweken geven we je een paar inspirerende leestips. We trappen af met God is goed en ik niet waarin W. Paul Young (auteur van o.a. The Shack) ingaat op wijdverbreide gedachten over God die een liefhebbende relatie met God in de weg staan. Hieronder vind je een leesfragment. 

Paul Young rekent af met waanideeën over God in ‘God is goed en ik niet’ #leestip

God is goed en ik niet. Dit is een reusachtige leugen! Een vernietigende leugen! Waarom wordt hij dan zo wijd en zijd geloofd? Veel mensen geloven dat God ons als mislukkingen ziet, als immens verdorven prutsers. In de liederen die we schreven hebben we onze laakbaarheid en zondigheid nog eens onderstreept. Als ik mezelf waardeloos vind, ben ik het toch alleen maar met God eens? denken we dan.

We hebben iets gemeenschappelijk: schaamte

Als we de tijd zouden nemen om naar elkaars verhalen te luisteren, ontdekten we dat de meesten van ons iets gemeenschappelijk hebben, namelijk schaamte. Dat is de kern van onze zelfbeoordeling. Maar dat komt niet alleen door onszelf. Sommigen hebben een constant spervuur om hun oren gehad waarbij deze leugen erin geramd werd.

Je bent een vod.

Je bent waardeloos.

Je stelt niets voor.

Je bent achterlijk.

Ik haat je.

Waarom kun je niet…?

Je hebt mij in het ongeluk gestort.

Je bent een stuk verdriet.

Er deugt niets aan jou.

We maakten van deze boodschappen statements over onszelf: Ik ben niet… en vul de litanie van ons falen als menselijke wezens maar in: Ik ben niet slim genoeg, of te mager of te lang of te bleek. Ik ben geen jongen; ik ben niet sterk; ik ben niet… We vergaten dat iedere ‘Ik ben niet’ voorafgegaan is door een ‘Ik ben’: Ik ben waardevol; ik ben pienter; ik ben geliefd; ik ben…

Maar we gebruiken zelfs: Ik ben tegen ons, en vullen dat aan met een nog langere lijst van ondeugden: Ik ben… een loser, een zonderling, slecht, lelijk, dik, alleen, dom, waardeloos. Ziet God mij zo? Ziet God jou zo? Is God het eens met mijn zelfbeeld en alles wat anderen over het diepst van mijn wezen hebben gezegd?

Een waar mijnenveld

Een zoon van mijn vader zijn was over het algemeen te erg voor woorden. Ik liep op eieren in zijn nabijheid. Hij was een waar mijnenveld, waarin ’s nachts, als ik lag te slapen, de explosieven van plek verwisselden. Het was niet uitsluitend kommer en kwel, maar de zachte momenten zijn pogingen een liefhebbende vader te zijn waren gewoon valse noten in het geheel. Ze voelden als een uitnodiging om minder op mijn hoede te zijn. Ik vel geen waardeoordeel over hem. Zijn chip voor het vaderschap was al ver voordat ik op het toneel verscheen door zijn eigen vader gecrasht. Maar als hij door het lint ging, als hij van afwezig overschakelde op ziedend aanwezig, had ik het gevoel dat ik in stukjes gescheurd werd en meegevoerd werd met de wind.

Mijn vader was zendeling. Hij was de rechtvaardigheid in eigen persoon, iemand die nooit fouten maakte, en hij was een harde tuchtmeester. Ik geloofde natuurlijk dat ik zijn toorn verdiende, want er schuilde niets goeds in mij. Ik werd terecht gestraft, zelfs als ik geen flauw idee had welke zonde ik per ongeluk of expres begaan had. Ik probeerde mezelf te verdedigen, soms met leugens, maar als dat niet werkte nam ik mijn toevlucht tot vier woorden, die ik radeloos uitgilde terwijl de golven van zijn woede op me af denderden.

Ik zal lief zijn! Ik zal lief zijn! Ik zal lief zijn! In de loop van de jaren ben ik gaan beseffen dat ik met iedere herhaling van Ik zal lief zijn! een uitspraak deed over de kern van mijn wezen die me decennia heeft gekost om te ontkrachten. Die uitspraak was van een desastreuze eenvoud: Ik ben niet lief.

Wij zijn intrinsiek van waarde

Een paar dagen geleden hield ik een toespraak voor een groep prachtige jonge mensen, middelbare scholieren. Ze hadden me uitgenodigd deel te nemen aan de week van spiritualiteit op hun campus. Ze begonnen met een lied dat ik wel kende. Er staat veel waars in, maar het begint met een flagrante leugen. [God] U bent goed, maar in mij is louter kwaad.

De waarheid is dat wij intrinsiek van waarde zijn, omdat God ons heeft geschapen naar zijn beeld. Die waarde staat los van ons. Maar wie gebroken en beschadigd is gelooft misschien dat, als er niets goeds in ons is, er geen hoop op werkelijke verandering bestaat. We menen dat een vorm van tijdelijke zelfdiscipline het hoogst haalbare is. We verbergen onze schaamte achter een façade van prestaties. Zelfs alle positieve woorden van de wereld maken van een steen geen paradijsvogel. Velen leren te doen alsof, tot we totaal uitgeput zijn van al die pogingen om alle leugens in de lucht te houden.

Brengt God iets voort dat er niet toe doet?

Het is onvermijdelijk dat op een gegeven moment het vergif in ons innerlijk op ongecontroleerde wijze naar buiten gaat sijpelen. Of we geven het simpelweg op en handelen vanuit datgene wat we als waar aannemen over onszelf. Wanneer ik als diepste waarheid over mijzelf geloof dat ik er niet toe doe, is het dan een wonder dat ik me gedraag als iemand die onbelangrijk is? Dan ben ik tenminste eerlijk. Ja toch? Inderdaad; dat wil zeggen, als dat de waarheid is over mij. Maar dat is het niet. Brengt God iets voort dat er niet toe doet? Nee! Zijn wij nog beelddragers, geschapen naar het beeld van God? Ja!

Onder alle gekwetstheid en gebutste brokstukken bevindt zich altijd een schepping die zeer goed is. God, die uitsluitend goed is, schept alleen maar goed; zeer goed zelfs! Daarom vroeg Jezus de rijke jongeling: Waarom vraag je me naar het goede? Er is er maar een die goed is (Matteüs 19:17). Jezus zegt hier niet: ’Er is niets goeds in mij’, maar vraagt: ‘Jonge broeder, zie je God in mij? Noem je mij daarom goed, of gaat dit nog over schijn?’ Als je het verhaal uitleest, ontdek je dat het nog over schijn gaat. God, die uitsluitend goed is, schept alleen maar goed.

We zijn echt en goed, maar vaak onwetend en dom

Wat zou jij denken als je een ouder tegen zijn kind hoorde zeggen: ‘De waarheid over jou is dat er niets aan je deugt. Je bent ziek en verknipt en totaal en volkomen verrot. Je bent nooit een knip voor de neus waard geweest en dat zal altijd zo blijven. Het is te hopen dat God je genadig is!’ Er zijn helaas mensen die denken dat dit het ‘evangelie’ is. Nog erger, het wordt door mensen met macht en aanzien van de kansel gepreekt.
 Ja, we zien nog niet helder, maar we zijn goed tot op het bot.

We zijn echt en goed, maar vaak onwetend en dom. We handelen vanuit de pijn van onze denkfouten, we kwetsen onszelf, we kwetsen anderen en beschadigen zelfs de hele schepping. Onze situatie is er een van verblinding, niet van verdorvenheid. Onthoud dat God niet iets kwaadaardigs of intrinsiek slechts kan worden… terwijl hij mens geworden is.

Jezus is de waarheid over wie wij zijn

De identiteit van onze kinderen zal altijd wezenlijk verbonden zijn met ons, hun vader en moeder; voor eeuwig. Ze kunnen rampzalige keuzes maken, ze kunnen zichzelf en anderen beschadigen, maar de essentie van hun wezen is een uitdrukking van ons. Dat is wie ze zijn. Zoals onze identiteit niet op zichzelf staat, geldt dat ook voor onze goedheid. Ik ben wezenlijk goed omdat ik ben geschapen ‘in Christus’, als een uitdrukking van God, een beelddrager, imago dei (zie Efeziërs 2:10). Deze identiteit en goedheid zijn altijd grotere waarheden dan welke beschadiging ook die aan ons of door ons is geschied.

God heeft geen lage dunk van de mensheid omdat God de waarheid over ons kent. God wordt niet voor de gek gehouden door de leugens die wij onszelf en elkaar hebben wijsgemaakt. Jezus is de waarheid over wie wij zijn; volledig menselijk, springlevend. Onder alle gekwetstheid en gebutste brokstukken bevindt zich altijd een schepping die ‘zeer goed’ is. Wij zijn geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Maar we zijn blind geworden in de misleidende duisternis die wij geloven. Het is tijd om stelling te nemen tegen deze desastreuze leugens in plaats van ons ermee te vereenzelvigen. Het is tijd om ‘de witte vlag te verbranden!’

God is goed en ik niet | W. Paul Young | Uitgeverij Kok | € 19,99

Bovenstaand fragment is een van de 28 gedachten over God die Young bespreekt in zijn boek.