Wij zijn allen bedelaars, dat is waar (en publieke vrouwen, dat is ook waar)

Wij zijn allen bedelaars, dat is waar (en publieke vrouwen, dat is ook waar)

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Wij zijn allen bedelaars, dat is waar – PopUpGedachte donderdag 24 – 8

Het was de zwanenzang van Luther, deze uitspraak: ‘Wij zijn allen bedelaars, dat is waar.’ De man is omgeven door mythe, maar het zegt iets dat men dit als nagedachtenis heeft bewaard. Het paste hem om zo te sterven, met deze woorden: ‘Wij zijn allen bedelaars, dat is waar.’ Niks tegenin te brengen. Leven van de geef en van de geef levend je het bier goed laten smaken, het gezelschap vieren en de eenzaamheid en positie als outlaw erbij nemen.

Publieke vrouwen

Bij het lezen van de fragmenten vanochtend realiseer ik me dat we niet alleen bedelaars zijn. We zijn ook hoeren, wat een veschrikkelijk lelijk woord is. Maar prostituees klinkt een beetje te 21e eeuws terwijl ik het concludeer uit een tekst die veel te oud is om dat soort woorden te kunnen bevatten. In de boeken over Israels koningen, deel I staat een inmiddels iconisch verhaal over het Salomonsoordeel.

‘Toentertijd begaven twee publieke vrouwen zich naar de koning.’ Daar begint het mee. Het moet gezegd dat je een toffe koning bent als twee publieke vrouwen de klopper ophet goud van je paleisdeur kunnen laten vallen en de bedienden melden dat je wilt dat de koning rechtspreekt. En dat hij dat dan doet. En ook niemand zich daarover verbaast.

Twee publieke vrouwen in een idealistisch-morele maatschappij als de Joodse niet een gewaardeerde beroepskeuze, to say the least. Eén van hen draagt een dood kind, een ander een levende. Beiden sliepen in hetzelfde huis, beiden baarden een kind en dan zegt één van beide vrouwen: ‘Toen is ’s nachts het kind van deze vrouw doodgegaan, omdat ze erop was gaan liggen. Maar midden in de nacht, terwijl uw dienares sliep, stond zij op, haalde mijn kind bij mij weg en legde het in haar eigen schoot en haar dode kind legde zij mij in de schoot. Toen ik ‘s morgens opstond om mijn kind te voeden, bleek het dood te zijn, maar toen ik het wat beter bekeek, zag ik dat het niet het kind was dat ik had gebaard.’

De andere vrouw zei: ‘Niet waar! Het levende kind is van mij en het dode van jou.’ Maar de eerste hield vol: ‘Niet waar!’ Zo bleven ze maar kijven in tegenwoordigheid van de koning.’ Verschrikkelijke gebeurtenis, fenomenaal stukje tekst. Twee kijvende prostituees voor de grootste koning van de Joodse geschiedenis, of zijn zoon eigenlijk, en die reageert met: ‘Haal een zwaard en hak het levende kind in tweeën: geef de ene helft aan de ene vrouw en de andere helft aan de andere vrouw.’

Goddelijke wijsheid

Er is geen twijfel bij de vrouwen dat de Oosterse koning iets dergelijks zou uitvoeren. En de vrouw wier kind nog leefde, ‘haar hart kromp ineen,’ staat er en ze zei: ‘Met uw welnemen mijn heer geef het levende kindje maar aan haar en maak het niet dood.’ Maar de ander zei: ‘Krijg ik het niet, dan jij evenmin; hak het door.’ Toen nam de koning het woord en zei ‘geef het levende kind aan de eerste vrouw, want zij is de moeder. Alle Israelieten hoorden van het vonnis dat de koning geveld had en kregen ontzag voor de koning, want ze merkten dat hij goddelijke wijsheid bezat, zodat hij in staat was recht te spreken.

Wat een verhaal, wat een eenvoud en wat een clou. Goddelijke wijsheid, dat willen we ook wel. Uberhaupt, rechtspreken vereist goddelijke wijsheid. Is dus niet voor mensen, als we dat even heel ver doortrekken. Rechtspreken is niet voor mensen. En dan ligt de vraag voor of de identificatie in dit verhaal wel moet liggen bij Salomo. Zo van: zo wijs zou ik ook wel willen zijn, laat ons bidden. Of moet die liggen bij de heldin van het verhaal? Laat ons in godsnaam verlangen om die publieke vrouw te zijn. Die moeder. Want de situatie dat we bij vervloekt onrecht moeten kiezen hoe we ons opstellen, komt vaker voor dan dat we op een gouden troon vrij comfortabel recht mogen spreken met zo’n absoluut gezag dat met een vingerknip een soldaat bereid is om een baby te doden.

Wij zijn die publieke vrouw

Wij zijn allen bedelaars, dat is waar. Maar wij zijn ook allen hoeren, dat is ook waar. In dit geval zijn wij allen die publieke vrouw die in situaties van vervloekte ellende moeten kiezen wie wij zijn. De christelijke God komt je niet verlossen van de shit, maar komt je raken, bevragen, uitdagen, verleiden en vormen tot die eerste publieke vrouw. Wat is namelijk de tendens van dit oordeel: Salomo stelt onrecht vast, zodat de echte moeder in nood de ander gunt wat ze voor zichzelf nodig heeft en vervolgens krijgt wat ze verlangt.

Dat als conclusie: bij voorkomend onrecht in diepe nood de ander gunnen wat we voor onszelf nodig hebben. Om vervolgens op miraculeuze wijze en totaal onverwacht te ontvangen wat we verlangen. Dat is sterven met Christus, zoals dat heet. Vanochtend wordt Jezus van Nazareth verraden in de teksten en zegt hij: dat moet gebeuren. Paulus zit in de andere tekst gevangen aan boord van een schip in een vliegende storm en praat als brugman om de moed erin te houden en te zorgen dat iedereen gered wordt.

De pijn zelf is niet goddelijk of straf of wat dan ook. Dat weten we. Daarna begint pas christendom, daarbinnen. En worden ons soms hartverscheurende keuzes gevraagd die het leven van de ander dienen. Waarmee we niet ons gelijk halen en onrecht voortbestaat – zoals zij dat deed, de eerste moeder. En haar werd na het verlies van alles wat ze had, dat wist ze zeker, gegeven wat ze ten diepste verlangde – als door de dood heen.

Lekker verhaal, dat christendom hoor. Man, man. Toch is er geen ander, en geen andere wereld. Dat zouden sprookjes zijn en daar doet deze rauwe religie niet aan.

1 Koningen 3:16-28

Handelingen 27:27-44

Marcus 14:12-25