‘Ik kan niets’

‘Ik kan niets’

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag. 

Ik kan niets – PopUpGedachte 14 augustus 2017

Kruislings trokken zoëven vliegtuigen sporen door de lucht, nu verwaaien ze tot brede banen en worden verlicht door een opkomende zon. Het is maandagochtend, zes uur en voor mij liggen de teksten weer open op tafel. Het is alweer een maand geleden dat ik de oude Bijbel dichtsloeg, de wekker van zes uur uitschakelde en het tijd was voor vakantie. Nu begint zo langzamerhand weer het seizoen en mag ik weer lezen van mijzelf. Om voor de werkdag begint eerst een uur te zoeken naar de oude inspiratie, om de dag niet te beginnen met de agenda, met de anderen om je heen, maar met hele oude teksten uit die christelijke Bijbel. Ik lees de teksten van de dag van vandaag en wacht af wat er opduikt.

Het is gek terugkomen in de gewone wereld. De eerste krant die we opensloegen toen we terugkeerden uit de hoge bergen van Zwitserland toonde een boze Kim Jong Un tegenover een boze Trump met daartussen een atoomwolk. Nu een week later liggen de straten van Charlottesville bezaaid met rotzooi, wapentuig, bloed en angst. Omdat nazi’s opeens weer door de straten paraderen alsof ze daar het volste recht en de uitstekend draagvlak voor hebben. Het is vreemd terugkomen.

‘Ik kan niets’ zijn de eerste drie woorden van Jezus van Nazareth vanochtend en ergens voelt het als een opluchting. Gelukkig, hij ook niet. Het is ook de stem van de frustratie. Ik kan niets! Op Facebook verontwaardiging uitspreken, met elkaar bezorgd de koppen bij elkaar steken, dat kan allemaal maar het voelt als niets. Googlen naar een ticket Charlottesville, dat kan. Maar voor je er bent, is het voorbij. Ik kan niets. Die uitroep. Die angst. Die weerstand. Die zin die het verantwoordelijkheidsgevoel wat op de nek zit, de frustratie die in de onderbuik borrelt of de zorg misschien, op zijn plek moet houden. Ik zeg je, geweten, onderbuik, God, wie dan ook: ik kan niets.

En dat zinnetje geldt dan opeens niet alleen voor politiek. Want het kind dat je opvoedt, de geliefde die maar niet wil genezen, de vriendin met een donkere depressie die dwars zit. Ik kan niets. Er gaat een seizoen beginnen, er zullen strepen getrokken worden, als vliegtuigen door de lucht, we zullen stappen zetten, want dat hoort bij ons. Maar als het er op aankomt, de dingen die ons echt dwars zitten. Wat kunnen we dan? Wat kan ik? En de strepen verwaaien, achterom kijkend vragen we ons af of we werkelijk iets hebben bijgedragen en ergens sluimert in mijn hoofd de vraag of ik op mijn sterfbed niet terug zal kijken en hoofdschuddend me zal afvragen waar ik me zo druk over gemaakt heb al die tijd – of erger: spijt zal hebben dat ik niet de goede prioriteiten heb gesteld.

Het is een gek niemandsland zo op de maandagochtend. Terug van vakantie, energie in de aderen, rust in het hoofd. Nog nergens aan begonnen, want we zouden eerst lezen. En de vraag stellen wat de teksten zouden brengen. En dan doen de drie woorden iets oplichten wat sluimert: ik kan niets.

Jezus van Nazareth houdt het niet helemaal bij die drie woorden: Ik kan niets uit mezelf, ik oordeel naar wat ik hoor. De beste man luistert. In het woud van de stemmen, de verantwoordelijkheden, de vragen die langskomen van samenleving, geweten, ego, vrienden – daartussen ontwaart Jezus van Nazareth een stem die noodzakelijk is en die hij vertrouwt. Omdat de stem vertrouwen in hem uitspreekt. ‘Als ik over mijzelf getuig (in de betekenis dat ik stel dat ik het goede doe, of dat je naar me moet luisteren of dat ik heus wel iets weet of wat dan ook) als ik over mezelf getuig (dat ik wél iets zou kunnen) dan heeft mijn getuigenis geen waarde’ zegt van Nazareth. Je eigen vlees keuren geeft niet echt vertrouwen aan de ander. ‘Er is een ander die over mij getuigt’, zegt hij. ‘En ik weet dat de getuigenis die hij over mij aflegt, geloofwaardig is.’ Ik hoef jou niet te overtuigen, lijkt hij te zeggen. Als ik het maar weet.

Ik kan niets uit mezelf. Ik kan niet bewijzen dat wat ik doe zinnig is. Veel sterker nog, als ik zou moeten afwegen wat ik zou moeten doen, zou ik mezelf niet eens kunnen overtuigen dat de keuze die ik maak de zinnige keuze is. Ik kan niets.

Maar ik vertrouw, dat in de veelheid aan stemmen en mogelijkheden ik vertrouwd word om te zien wat het goede is om te doen. Ik kan de wereld niet maken, noch veranderen. Ik kan wel zien wat er gebeurt, wat er is en ik kan luisteren, overwegen en me afvragen wat er voor mij vandaag ligt om te doen. Misschien is dat wel genoeg.

2 Samuël 17:24 – 18:8

Handelingen 22:30 – 23:11

Marcus 11:12-26