‘Ik ben minder krampachtig op zoek naar geluk. Lijden maakt me echter.’

‘Ik ben minder krampachtig op zoek naar geluk. Lijden maakt me echter.’

Karlien leidde een prettig en comfortabel leven. Dan wordt ze verliefd op een man die gemarteld werd in het land dat hij ontvluchtte. Het zet haar wereld op z’n kop.

Twintig jaar geleden, in een land hier ver vandaan, liep een man over een onverharde weg in de richting van het huis van zijn moeder. Anderhalf jaar lang had hij onschuldig in een gevangenis gezeten. Toen zijn moeder hem vanuit haar raam het erf op zag lopen, rende ze naar hem toe. Ze omhelsde hem niet, zei geen woord, ze raakte hem alleen voorzichtig aan en keek naar zijn gezicht.

Op diezelfde dag speelde ik verstoppertje op een schoolplein. Of misschien was het geen verstoppertje, maar tikkertje of een willekeurig ander spel dat negenjarige kinderen spelen op schoolpleinen. Hoe dan ook: ik speelde. En dat zich daar in dat verre land een drama afspeelde wat mijn wereldbeeld op de kop zou zetten: daar had ik op dat moment natuurlijk geen idee van…

De wereld is een prima plek

Mijn leven ontvouwde zich zoals het leven van zoveel mensen van mijn generatie in dit deel van de wereld. Ik ging naar school, haalde een diploma, verruilde de polder voor de grote stad. Ik studeerde, werd verliefd, liep een blauwtje, verloor een baan en vond een andere. In het weekend dronk ik wijntjes met vrienden, maakte zo nu en dan een reis en beklom een berg.

Momenten van pijn, verdriet en angst, bij mezelf en bij anderen, vormden de kleine en soms iets grotere smetjes op het blazoen van een veilig en niet onaangenaam leven. Ook toen er dingen gebeurden die groter en moeilijker waren dan voorheen, bleef ik vasthouden aan het idee dat de wereld in de kern een prima plek is.

Ouders van vrienden gingen dood, mijn zusje kreeg kanker, er braken nieuwe oorlogen uit, maar dat waren uitzonderingen op de regel. De regel dat het leven een feest zou kunnen zijn, als je er maar hard genoeg je best voor deed.

Ellende als bijverschijnsel

Al was ik inmiddels ver in de twintig, ik bleef spelen. Geen tikkertje meer, maar ‘doen alsof’.  En daar was ik heel goed in. Ik deed alsof er na regen altijd weer zonneschijn kwam. Deed alsof al het lijden betekenis had (misschien niet direct te doorgronden, maar uiteindelijk, als je maar lang genoeg wachtte, dan) en deed alsof ellende een bijverschijnsel was.

Ik was niet de enige, niet de eerste en ik zal ongetwijfeld niet de laatste die zich op die manier staande hield. In de 17e eeuw al verzuchtte natuurkundige en filosoof Blaise Pascal:

‘Aangezien de mensen niet in staat zijn de sterfelijkheid, ellende en onwetendheid te verhelpen, zijn ze op het idee gekomen gelukkig te worden door totaal niet aan die dingen te denken’.

Dat was niet de bedoeling

Terwijl ik zo mijn leven al relativerend, sussend en vergevend op orde probeerde te houden, gebeurde er iets onverwachts. Ik werd verliefd op de man die in de gevangenis gemarteld was en vrijkwam op de dag dat ik verstoppertje speelde. Dat was niet de bedoeling.

De bedoeling was dat ik verliefd zou worden op een man die gewoon stabiel was. Een klein beetje getroebleerd mocht-ie trouwens wel zijn. Dat leek me zinvol voor de nodige diepgang in onze relatie. Een moeizame verhouding met zijn vader, een klein beetje onzeker over zichzelf, licht gefrustreerd over de kerk waar hij uit kwam, dat soort dingen. In plaats daarvan ontmoette ik iemand die alles achter zich had gelaten om te kunnen vluchten naar het land waar ik zo hard de schone schijn ophield. Iets wat ik naast hem niet langer volhield.

Iets fijns of onbenulligs

Het was niet dat ik mijn ogen, voordat ik hem ontmoette, al die tijd gesloten hield voor alle pijn. Ik luisterde naar de verhalen van depressieve vrienden. Ik leefde bewust in een achterstandswijk, voerde campagne voor eerlijke kleding, telefoons en bananen. Maar als ik het niet meer trok, dan richtte ik mijn aandacht gewoon weer even op iets fijns of onbenulligs.

Ik had de controle. En plotseling niet meer. Want de oorlog in zijn land woedde door, in al haar verrotte glorie. En voor telefoontjes over familieleden die vluchtten en stierven, kon ik me niet verstoppen. Nu pas durfde ik onder ogen komen dat lijden inherent is aan leven. Lijden is geen bijzaak. En als kind van de jaren ’90 had ik eigenlijk geen flauw idee hoe ik daar mee om moest gaan.

Echt doorleven wat je voelt

Ik weet het nog steeds niet. Maar de erkenning van lijden als wezenlijk onderdeel van het menszijn heeft me wel wat gebracht. En dat verbaasde me. Ik had verwacht dat ik verbitterd zou raken of neerslachtig, maar er gebeurde iets anders. Ik werd echter. Of nee: ik ben echter aan het worden. Minder krampachtig op zoek naar geluk en klein beetje eerlijker dan dat ik was.

Echt doorleven van dat wat je voelt. Op het eerste gezicht heel mindful, maar in tweede instantie misschien wel vooral heel bijbels. Ik zie Jezus namelijk hetzelfde doen. Hij wordt boos. Niet alleen wanneer er een markt wordt opgebouwd op het tempelplein. Hij wordt ook boos op zijn leerlingen, op de mensen die achter hem aanlopen, op de dominees van zijn tijd. En hij is eenzaam en schreeuwt het letterlijk uit.

Ik weet het niet

Voor het eerst in lange tijd schreeuw ik met hem mee: het is klote en het doet pijn en ik weet het niet, ik weet het niet, ik weet niet waar God is in dit verhaal. Voor het eerst in lange tijd durf ik te doen wat de hoogbejaarde theoloog Frederick Buechner zo schitterend heeft opgeschreven:

Listen to your life. See it for the fathomless mystery it is. In the boredom and pain of it, no less than in the excitement and gladness: touch, taste, smell your way to the holy and hidden heart of it, because in the last analysis all moments are key moments, and life itself is grace.’