Het aloude oordeel

Het aloude oordeel

Rikko Voorberg geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag.

Het aloude oordeel

Daar gingen wij als jongeren, voor het eerst mee in de zwijgende gewijde optocht naar de – jawel – tafel van de Heer. Eens in de zoveel tijd werd er zo’n grote witte tafel voorin de kerk gezet. Geen kind mocht daar aankomen.  Het zou een lange zit worden met een lange uitleg over de betekenis van dat wat er aan die tafel zou gebeuren.

Bij binnenkomst zaten de schalen en kannen en het brood nog bedekt onder een groot wit kleed dat bij aanvang door twee ouderlingen, de leiders van de club – dienaren, zouden ze zelf zeggen – ritueel werd opgetild, opgevouwen en verwijderd. In houterige, eerbiedwaardige bewegingen, afgemeten en elke avondmaalszondag exact hetzelfde. Alsof het was gerepeteerd. Maar dat hoefde nooit, want je kende het gewicht van de handeling en als jij vouwbeurt had, reken maar dat je dan de vorige keren extra had opgelet om de handelingen exact te repeteren. En je had het natuurlijk van je jeugd af aan gezien. Bij ons in de kerk zeker.

Bloedserieus namen we dat

Er werd een lange tekst gelezen, gezongen natuurlijk, en dan mochten de genodigden aan tafel. Niet iedereen, zeker niet. Kinderen sowieso niet. Gasten ook niet, tenzij ze bekend waren bij de kerkenraad als broeders en zusters – niet qua bloedband, maar qua geloofsovertuiging. Dat werd natuurlijk formeel afgehandeld, want lange geloofsgesprekken zaten er niet in. Je moest met een briefje aan kunnen tonen dat je lid was van een andere gereformeerd-vrijgemaakte kerk. Bloedserieus namen we dat, want we namen de tafel bloedserieus.

Alleen sommige reformatorischen waren nog serieuzer. Daar moest je eerst een diepe godservaring kunnen vertellen voor je aan tafel ging – een bekering, zogezegd. En dat was vaak een handjevol. De katholieken, daar leken we nog het meeste op. Die willen ook niemand als deelnemer aan de eucharistie die niet katholiek is, alleen checken zij het niet met briefjes.

Hoogheilig – en indrukwekkend. Saai, zeiden we soms. Maar niet het moment met de wijn. Het brood doet niet veel. Korstloos, wit en een klein stukje. Kauwen en nadenken over de betekenis. Maar de wijn gloeit en gloeit van binnen. Dat was het enige zintuigelijk fysieke – naast staan en zitten – dat onze kerkvieringen hadden. Eens in de maand of twee maanden gloeide er een slokje wijn door de slokdarm en elke keer was het raak. Toch ook door het gewicht eraan gegeven, denk ik. Of door God zelf, dat kan ook. Vooral door het feit dat het fysiek was, gok ik.

Uitnodiging tot zelfonderzoek

Vanochtend lees ik een tekst die altijd geciteerd werd in het lange formulier dat we lazen als onderdeel van het grote ritueel. Een hele lap tekst die je als jongere deels uit je hoofd leerde kennen en waar logische zinsconstructies in staan als: ‘Wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel als hij het lichaam niet onderscheidt.’ Dit was altijd de uitnodiging tot zelfonderzoek. Geloof ik wel? Ben ik wel geraakt door wat er toen gebeurd is voor mij? Zie ik wel mijn zonden en zoek ik wel vergeving? Al die vragen en met toewijding visualiseerden wij kruisdood, opstanding, vergeving, etcetera etcetera.

Vandaag staat het in zijn context: ‘Want wie eet en drinkt maar niet beseft dat het om het lichaam van de Heer gaat, roept zijn veroordeling af over zichzelf.’ En dan blijkt dat ‘lichaam van de Heer’ niet te gaan over een abstracte waarheid, maar hierover: ‘Van wat u hebt meegebracht eet u alleen zelf, zodat de een honger heeft en de ander dronken is’ en dit: ‘Broeders en zusters, wees gastvrij voor elkaar wanneer u samenkomt voor de maaltijd. Wie honger heeft kan beter thuis eten. Dan leiden uw samenkomsten tenminste niet tot uw veroordeling.’

Bijna belachelijk

Het voelt bijna belachelijk. Zitten we daar met gefronst voorhoofd ons af te vragen of we wel gelovig genoeg zijn, de kruisiging te visualiseren, ons hart en onze toewijding te checken en alles – dat is nooit weg, hoor, daar niet van – maar we deden het met de angst dat we ons ‘een oordeel zouden eten’. Terwijl Paulus gewoon chagerijnig is dat het niet eerlijk verdeeld wordt. Zo ongastvrij. Dan vorm je niet een lichaam, een community, een verbonden geheel.

Als je ‘het lichaam niet onderscheidt’ zoals de teksten zeggen dan laat je de arm afsterven, omdat je die niet nodig meent te hebben. Dat is niet de bedoeling. Deel je voedsel zo dat elk onderdeel van de community, het lijf zogezegd, voldoende heeft. Anders zal het je opbreken, dan functioneert het lijf niet meer en dondert het in elkaar. Tot uw eigen oordeel, zo simpel. Als je de voeten verwaarloost, breek je op een gegeven moment je nek. Ja toch?

Dat was het idee

Een exercitie vanochtend over de eigen interpretatie van oude heilige teksten. Ik kan dan een beetje lachen om vroeger, en een beetje huilen over de uitsluiting, en uiteindelijk me voornemen om van de weeromstuit te delen en te breken en te toosten met wie ik maar kan vinden. Opdat ik niet aan het eind opeens hard onderuit ga, omdat ik vergeten ben om met een ondergewaardeerd deel van het lichaam, de community, te delen wat ik heb gekregen. Dat was het idee.

2 Koningen 22:14 – 23:3

1 Korintiërs 11:23-34

Matteüs 9:9-17