Stop met God-bewijzen. Word liever religiekritisch (da’s veel christelijker)

Stop met God-bewijzen. Word liever religiekritisch (da’s veel christelijker)

In plaats van het bestaan van een God te verdedigen, zegt Alain, zouden christenen zich eens wat meer moeten bezighouden met het ontmaskeren van valse goden. 

Ik schreef hier laatst over de jeugd van Abraham. Legenden vertellen dat hij een opstandige jongeman was, die de godenbeelden in de winkel van zijn vader in gruzelementen sloeg. Op dat gegeven wil ik hier nog even voortborduren, want het zou een blauwdruk moeten zijn voor het christelijke monotheïsme van vandaag de dag.

Monotheïsme, dat betekent dat je slechts één God erkent, net zoals Abraham. Zijn generatiegenoten hadden veel meer keuze: een keur aan beelden, tempels en gebedsadressen. Vanaf de tijd van Abraham tot aan de tijd van Paulus kregen onze geestelijke voorouders dan ook meewarige of beledigde reacties. ‘Ben jij een monotheïst? Wat een geestelijke armoede!’ Die mensen vonden één God eerder te weinig dan te veel, en zo geldt dat nog steeds voor een groot deel van de wereldbevolking.

We zijn er niet om het bestaan van God te verdedigen

Alleen in het moderne seculiere westen (en in communistische dictaturen) krijg je als christen het verwijt dat het monotheïsme één God te veel is. Meestal levert dat belabberde en inspiratieloze debatten op tussen theïsten en atheïsten. Gaandeweg vergaat God zelf de lust om nog langer te bestaan en verlaat ze de zaal voortijdig.

Ooit woonde ik een debatavond over het bestaan van God bij, waar wél iets interessants gebeurde. Huub Oosterhuis zat op het podium en brak op een gegeven moment in. ‘Ik hoor nu steeds de vraag over wel een God of niet een God, maar over welke God hebben we het eigenlijk? Ik zie overal om mij heen goden op de wereld. De mammon, bijvoorbeeld, een geldgod…’ De oude priester-dichter ziet het goed: het christendom is er niet om het bestaan van wel een God te verdedigen, maar juist om alle valse goden te ontmaskeren.

Een pleidooi voor minder, minder, minder goden

De Bijbel is voor een flink deel een anti-heidens manifest. Een verzameling geschriften tégen veelgodendom en dus een pleidooi voor minder, minder, minder goden. Terwijl creationisten hun best doen om vanuit Genesis 1 het bestaan van God te verdedigen, was de oorspronkelijke bedoeling bijna andersom. In het scheppingsverhaal zagen heidenen al hun goden één voor één gereduceerd worden tot schepsels. De zon, de maan, de sterren, de wolken en de zee waren voor hen allemaal goden, maar in de Bijbel zijn ze slechts nog onpersoonlijke instrumenten in de kosmos.

Of kijk naar Jeremia. Die laat geen spaan heel van de godenbeelden in de culturen om hem heen. ‘Ze hakken een stuk hout in het bos, een ambachtsman bewerkt het met zijn beitel, verfraait het met zilver en goud. Ze spijkeren het vast, dan valt het niet om. Het is net een vogelverschrikker’, et cetera. Een cynische en vileine omschrijving van de eeuwige en gevaarlijke neiging van de mens: het creëren van godheden. De profeten zijn de allergrootsten in religiekritiek.

Een ballon zover opblazen tot hij in je gezicht klapt

Volgens mij zijn christenen nog steeds geroepen tot die kritiek (en dus niet primair tot het verdedigen van theïsme).Maar hoe kun je relevante religiekritiek uitoefenen in een maatschappij vol atheïsten en agnosten? Wel, dat kan door het voorbeeld van Huub Oosterhuis te volgen. Kijk om je heen en probeer te zien dat de aloude goden nog steeds bestaan, maar nu in een nieuw, seculier jasje. Zo moeilijk is het niet om de seksgod, de geldgod en de hoogverheven Caesar te herkennen in onze tijd. Kijk anders eens naar onze collectieve obsessie met eten, kleding en technologie. De heidense tempels waren ook niet alleen maar spiritueel. Je kon er juist terecht voor platte doeleinden als bankzaken, prostitutie en een stukje vlees.

Heidendom betekent: een stuk van de werkelijkheid uitvergroten, ervoor knielen en er grote offers aan brengen. Er zit iets heel dubbels in deze beeldenverering. Aan de ene kant vergoddelijk je iets, aan de andere kant maak je het juist kneedbaar. Het is allebei ongezond, alsof je een ballon zover opblaast dat hij in je gezicht klapt. Dat is wat er met dingen als seks of consumptiegoederen gebeuren als je er een religie van maakt. Ze kunnen die druk niet aan en zullen hun tol gaan opeisen, uiteindelijk in de vorm van mensenoffers.

Alles wat van waarde is, is weerloos

Christen-zijn is het doorprikken van al die ballonnen en zeggen: er is slechts één God, slechts één God, slechts één. Die ene God is meer waard dan al die andere. Die ene God geeft al die andere dingen – seks, eten, zon, bomen, luxe, kracht, gezin, dieren – zin. Die ene God, dat is een baby in een kribbe die zich verstopt voor de god op het pluche die geen concurrentie gedoogt. Die ene God, die preekt op een berg en vecht daar om mijn aandacht tegen de goden die adverteren op elke vierkante meter van de publieke ruimte.

Die ene God, die ons leerde dat we alle godheden moesten blootleggen en dan doorprikken. En toen zelf ook dat lot onderging, tentoongespreid en doorgestoken aan het kruis dat voor altijd dat symbool zou worden. Want alles wat van waarde is, is weerloos. Niet bedoeld om onteerd te worden door onze handen en hersenen die zo graag beelden vormen. Niet bedoeld om als karikaturale god te worden uitvergroot en onze hysterische offers te ontvangen. Niet bedoeld als stok om mee te slaan, buiten te sluiten en te moorden.

Een beetje God heeft een hekel aan godsdienst.