De grote Schoonmaak – Met Lammert Kamphuis

De grote Schoonmaak – Met Lammert Kamphuis

Rikko geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag te lezen en te beluisteren!  

Grote Schoonmaak – PopUpGedachte 14 februari 2018 met Lammert Kamphuis

Het is aswoensdag én Valentijnsdag, hoe ver verwijderd wil je het van elkaar hebben. De mystieke gang naar een lege kerk waar in het koude schemerdonker een priester een beetje as op je voorhoofd smeert en mompelt: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren – en de gillende etalages met rode harten, gouden tekstjes van ik hou van jou en blijf je trouw in al zijn platte namaak zinnetjes van wat ooit poezie was. Maar hé, het verkoopt.

Vanochtend werden we wakker in Ter Apel. Op een steenworp afstand van een enorm azielzoekerscentrum ter grootte van een vijfde van de kern van het dorp, in een oude boerderij onder een intense sterrenhemel. En voor het eerst in bijna twee jaar tijd schrijf ik de PopUpGedachte samen met iemand anders. Voormalig huisgenoot, filosoof, theoloog en voormalig gelovig gereformeerd, Lammert Kamphuis. De whiskey van gisteravond zit nog een beetje hoog, de teksten ruiken naar heel vroeger en we vragen ons enerzijds af wat we in godsnaam aan het doen zijn op dit vroege uur in dit totaal verlaten stuk van randje Nederland en aan de andere kant wat er uit die teksten geboren zou moeten worden. Lammert legt hier de laatste hand aan zijn boek. Over de keukentafel liggen Nietzsche, Heidegger en Bertrand Russel uitgespreid alsof het de kookboekjes van het diner van gisteravond zijn.

‘Had je nou gelovig staan?’ zegt Lammert. Tussen ‘voormalig’ en ‘gereformeerd’? Doe maar dan voormalig gereformeerd. Ja, voormalig gelovig is ik ook zo wat. Ik geloof in van alles natuurlijk nog maar niet meer in … ja … niet meer in de god die in deze teksten naar voren komt’

En wat is dan de eerste zin van de teksten van vanochtend, Lammert? Jawel: ‘Zo spreekt God de Heer: ‘Keert tot Mij terug’ van ganser harte’ en dan ook niet zomaar, nee, ‘met vasten, met geween, met rouwklacht.’ ‘Nou, laat maar even hoor’ zegt Lammert. En is alsof de duvel ermee speelt, de volgende tekst is een voormalige lievelingspsalm. Psalm 51. Want ook deze tekst. Vroeger bracht dit een soort zwelgen, een vorm van romantiek, ‘God ontferm u over mij, delg mijn zondigheid, was mijn schuld, reinig mij van al – jawel – al mijn zonden, ik erken dat ik misdreven heb, altijd mijn vergrijp voor ogen.’ En je dan nu afvragen wat je in godsnaam daar vroeger zo mooi in hebt gevonden. Het is een soort zwelgen in falen waarvan je nu denkt dat het allemaal zo veel lichter had gekund. ‘Ik zie van die monniken voor me, die met zwepen zichzelf op de rug slaan’. Van die Opus Dei, flagellanten. En ik heb haast medelijden met die jonge Lammert en denk: ‘ach, man! Was gewoon naar de Kuip gegaan op zondagochtend. Kun je ook zingen. Lekker brullen. Niets is sterker dan dat ene woord … Je weet wel … Feyenoord. Jawel.’

Zonde, boete doen, de ogen van een almachtige waarvan je niet zeker weet dat ze er zijn, maar waar je wel al je daden dan op inricht vanuit de verwachting dat ze mogelijk fronsend dan wel corrigerend je op al je vingers kijken. Een Panopticon eigenlijk, een gevangenis met een nogal psychologiserende architectuur, waarbij de bewakers in het centrum elke gevangene rondom kunnen zien en geen van de gevangenen kan zien of het Panopticon in het midden bemand is of niet. Daarmee is het al dan niet bestaan van een bewaker, dan wel godheid, irrelevant geworden, de structuur zorgt dat mensen in het gareel blijven. Wie ontdekt dat het Panopticon leeg is en er geen represailles volgen op handelingen waarvan je dacht dat ze slecht waren, is vrij of voelt zich genaaid of allebei.

‘Wat lees jij eigenlijk’ zegt Lammert.

Ik wandel door de teksten van vanochtend op zoek naar herkenning, naar een punt waar ik iets mee kan anno nu. Uit de teksten ademt me een oud moralisme tegemoet waarvan ik niet zeker weet of dat er in zit. En waar ik niets meer mee hoef. Maar ik herinner me, als een keus die niet per se voortkomt uit het gevoel dat me overvalt bij deze zinnen maar een keus uit deze wereld nu dat ik schuld en spijt toch enigszins heilig had verklaard. Want hoe waanzinnig noodzakelijk is het nu om op een zinnige manier spijt te leren hebben, te leren leven met falen in een wereld waarin we vooral onszelf moeten zien te verwerkelijken en nergens spijt van hebben gehad. Nu God dood is, is er iets anders in het Panopticon gekropen met net zulke priemende ogen en een gelijksoortige ongrijpbaarheid als die oude God. Het gevangenisgebouw is weer bemand en nu?

En dan is er een woordje wat haakt. Er is maar éen woord dat misschien licht geeft in deze hele serie oude woorden en dat is ‘in het verborgene’. Sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader, die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet.’ Daar in dat woord huist het gevoel van jezelf zijn, met jezelf bestaan, dat het even goed is.

Lammert. Maar dan is hij er nog, Hallo. Hoe vet zou het zijn als God zou zeggen: tussen twee en vier kijk ik niet. Die tijd is echt van jou. Ik gun jou je privacy. Voor zo’n God zou ik echt respect hebben.’ He. Dat is eigenlijk carnaval. De katholieken hebben het ingebouwd. Een paar dagen los, dat God even wegkijkt. En daarna in het gareel.

Maar met carnaval kijken heel veel mensen. Dat is juist het tegenovergestelde van verborgene. Misschien vinden we wel het verborgene pas als we echt besluiten om niet te delen. Social media te laten staan of iets anders. En dan dus niet op social media zetten, volgens de evangelielezing van vanochtend, dat je van social media gaat. ‘doe het in het verborgene en de God die in het verborgene ziet, zal het u vergelden’ staat.

Ik denk dat het zomaar doodeng kan zijn dat verborgene, dat stille. En dat voor de schrijvers van deze teksten de godheid degene is die het vertrouwen geeft om alleen met mezelf te zijn, om die stilte binnen te gaan zonder al teveel angst. Dat is niet de godheid die in zoveel religiositeit klinkt, maar zo’n soort godheid – als die niet zou bestaan, zouden we hem of haar moeten uitvinden – want bij jezelf komen en dat het dan goed is, dat is zo verrekte belangrijk.

Ja, zegt Lammert. maar dat kan ook de angst zijn op jezelf te zijn in de wereld. Die god zouden we niet moeten uitvinden. Want kan heel kut zijn. Door zo’n god ontneem je het echte.

En ik zou dan zeggen: Ik kan bij mezelf zijn omdat er mensen zijn geweest die van mij hebben gehouden toen ik het niet kon. Dat geeft vertrouwen, om bij mezelf te zijn.

Dit zijn dan de heel diepe vragen wie we zijn als mens: Als we heel dichtbij onszelf komen, komen we dan ook heel dichtbij de mensen die onderdeel zijn geworden van ons. In mijzelf ben ik niet alleen, want er zijn gebeurtenissen en ervaringen. Maar daar zou ik dus geen god bij hoeven. Want dat blijft voelen als inbreuk op de privacy.

En ik deel dat dus. Die ene zin. Dat verlangen: ‘In mijzelf ben ik niet alleen.’ Dat ik in mijzelf uiteindelijk niet alleen ben. Maar wel in mijzelf. En met dat verlangen eens veertig dagen op pad in de vastentijd.

Hier vind je drie tekstgedeeltes die Rikko vanochtend las.


De mooiste 25 ochtendgedachten van de afgelopen tijd vind je nu in dit boek: Lazarus staat op. De teksten van Rikko zijn aangevuld met prachtige illustraties van zijn vrouw Joanne Zwart. Meer info vind je hier.