Ik ben minder enthousiast over Jordan Peterson. En wel hierom

Ik ben minder enthousiast over Jordan Peterson. En wel hierom

Gerko las het stuk over de populaire psycholoog Jordan Peterson en moest aan zijn oude godsdienstleraar denken. Die altijd een antwoord had op lastige vragen. Maar bij wie hij toch het gevoel had dat er iets niet klopte. Petersons tegenstander Slavoj Žižek legt volgens Gerko precies de vinger op de zere plek… 

Ja, ik ben dus enthousiast over Jordan Peterson, en wel hierom’, was de kop van een stuk dat hier onlangs verscheen over de Canadese psycholoog. De schrijver vroeg zich af waarom Peterson zulke extreme reacties oproept. Goede vraag, waar ik graag op inga.

Niet omdat ik alles weet van Jordan Peterson, ook niet omdat ik vind dat ik partij moet kiezen, maar wel omdat ik de kritiek op hem goed begrijp. En volgens mij is het de moeite waard om die kritiek serieus te nemen.

Zo iemand als je vader, je opa of een Jehova’s getuige

We kennen ze allemaal: mensen die altijd gelijk hebben. Niet alleen in hun eigen ogen, maar ook als je met ze in gesprek gaat. Ze hebben hun argumenten op een rijtje en kunnen het helder verwoorden. Hun gesprekspartners blijven achter met een machteloos gevoel.

Mijn godsdienstdocent op de middelbare school was zo iemand. Hij had overal een antwoord op. Per leerjaar steeg de opgekropte frustratie bij zijn leerlingen, maar de docent had altijd een woordje klaar. Ik ken veel mensen die zeggen dat hun vader ook zo iemand is. Of hun opa, Jehova’s getuigen aan de deur. Het zijn vaak mannen, heb ik de indruk. Vader-figuren.
Deze mensen geloven of vinden iets wat ze fantastisch kunnen onderbouwen. En toch is er frustratie en machteloosheid bij de toehoorders. Waarom? Omdat je het idee blijft hebben dat er iets niet in de haak is. Maar ja, je kunt je vinger er niet opleggen, laat staan het helder verwoorden.

Ik denk dat Jordan Peterson zo’n vader-figuur is. Het is een vriendelijke vent (de helft van Otto’s pluspunten gaan over hoe sympathiek hij is). Hij kan zijn standpunt glashelder verwoorden. En toch blijf je met iets achter. Maar wat?

Waarom zo heftig?

Waarom gaat het in het publieke debat over Peterson altijd over uitersten? Waarom zijn mensen of idolaat, of zeer zwaar tegen hem? Ik denk dat Peterson er zelf antwoord op geeft, in zijn college over het Oude Testament.

Dit fragment gaat over wat een ideologie is. Peterson vertelt hoe je iets kunt herkennen als een ideologie: aan de manier waarop mensen reageren als je er vragen bij stelt. Mensen worden witheet, stelt hij. Zo kwaad, dat je eigenlijk niet goed snapt wat er aan de hand is. Het is voer voor psychologen, zou je kunnen zeggen.

Nou heeft Peterson het in dit fragment over de ideologieën waar hij zich graag tegen verzet. (En dat verzetten doet hij behoorlijk fanatiek). Hij noemt ze exponenten van een ‘cultureel marxisme’ of van het feminisme. Social Justice Warriors. Ze verbergen zich achter wat in Amerika ‘identiteitspolitiek’ wordt genoemd.

Volgens mij kun je dit fragment ook prima toepassen op de volgelingen van Peterson zelf. Op verschillende plekken (bijvoorbeeld in dit stuk, dat volgens Otto naar azijn smaakt) wordt inderdaad uitvoerig geanalyseerd hoe polariserend een deel van de aanhangers van Peterson zich opstelt.

Natuurlijk is Peterson niet per se schuldig aan wat zijn aanhangers doen, maar het geeft wel iets aan: dat de onderwerpen die Peterson behandelt veel met ideologie te maken hebben. Mensen worden witheet. Ook zijn volgelingen dus.

Jordan Peterson doet hetzelfde als zijn tegenstanders

Volgens mij is het ontmaskeren (of in kaart brengen) van ideologieën een van de belangrijkste filosofische uitdagingen in deze tijd. Peterson doet dat voortreffelijk. Het grappige is dat hij daarin precies doet wat zijn tegenstanders doen (de ‘culturele marxisten’, waarvan de filosoof Slavoj Žižek de bekendste is).

De postmoderne tijd, het tijdsvak waarin we sinds de Tweede Wereldoorlog leven, wordt vaak aangeduid als een tijd waarin we hebben afgerekend met ‘grote verhalen’ (zie mijn eerdere blog hierover). We geloven nergens meer in en waarheid is compleet relatief geworden (iets dat inderdaad veel mensen zo zeggen).

Zowel Peterson als Žižek verzetten zich tegen het idee van zo’n relatieve waarheid. Maar ze doen het op een andere manier. Het helpt om ze te onderscheiden. Peterson noemt dat postmoderne denken een afkeurenswaardige ideologie, die veel te dominant is geworden in bijvoorbeeld onderwijsinstellingen en in de (linkse) media.

Peterson heeft niet per se gelijk

In dit stuk in de Engelse krant The Independent legt Žižek – met veel jargon en verwijzingen – uit welk probleem hij ziet bij Peterson. Zijn punt gaat over Peterson in de rol van mijn godsdienstdocent.

Je hebt mensen die de waarheid spreken en je hebt mensen die de waarheid spreken maar daarmee (bewust of onbewust) een leugen verbergen. Dat iemand een rationele, wetenschappelijke benadering heeft en zich van een glasheldere argumentatie bedient, maakt niet dat hij per se dat hij gelijk heeft. Alleen is het moeilijker om dat te ontmaskeren (enter de godsdienstdocent).

Žižek heeft het niet over de vraag of Peterson feitelijk gelijk heeft. Dat zal-ie best vaak hebben. Maar hij snijdt een dieperliggend punt aan. Komt-ie:

De vraag is wat er gebeurt als je Peterson tegen Peterson gebruikt. Of anders gezegd: is Petersons theorie niet zelf een ideologie? Eentje waar mensen inderdaad witheet van kunnen worden als je er kritisch over bent. En eentje die weliswaar zeer aannemelijk klinkt, maar een ideologie is, naast alle andere (linkse) ideologieën.

Geef me nog iets meer kans om het nader toe te lichten.

Hij is eigenlijk heel optimistisch

Otto roemt in zijn stuk Petersons realisme: zijn wereldbeeld is chaotisch, niet-per-se-vrolijk. Het leven is hard. De wereld zit vol shit. Peterson is realistisch.

Maar in de kern van zijn visie is Peterson eigenlijk heel optimistisch.

1. Hij is een fervent pleitbezorger van het streven naar ‘de waarheid’. Ook al zul je de hele waarheid misschien nooit kunnen vinden, zegt hij.

2. Zijn (controversiële) ideeën over chaos en orde, mannelijkheid en vrouwelijkheid komen voort uit zijn ideeën over een evolutionaire orde.

3. Hij roept ons op om niet bij de pakken neer te zitten, maar onze rug te rechten.

Maar dat is ideologie: (1) Dat er waarheid is. (2) Dat er orde is. (3) En dat het goed is om je rug te rechten en ernaar te streven.

En precies op dat punt lijkt Peterson postmoderne denkers niet helemaal te begrijpen.

De filosofie van na de Verlichting vraagt zich namelijk af hoe we zo zeker weten dat die orde er is. Hoe we zo zeker weten dat er inderdaad een rationeel te bevatten structuur in de wereld zit, waar je naar op zoek moet gaan.
Precies dat is wat het postmoderne denken onderscheidt van het Verlichtingsdenken – een tijd waar Peterson naar terug lijkt te verlangen. (dit is wat ik er eerder over schreef). En het is, denk ik, wat mijn generatie onderscheidt van mijn godsdienstleraar.

Voor de duidelijkheid: het zou rampzalig zijn, als er geen rationele orde en geen waarheid is. Ook daar gaat het postmoderne denken over. Veel mensen hopen vurig dat er wel een orde bestaat. Want als het niet bestaat, dan komen we dicht in de buurt van absolute zinloosheid. Nihilisme, zegt Peterson. Als er geen orde is, dan heeft lijden geen zijn. Heeft Auschwitz geen zin. Heeft het leven geen zin. Dat zou verschrikkelijk zijn (zie ook dit blog). Maar dat we graag een orde willen, is niet hetzelfde als weten dat die orde er is.

Jordan Peterson liegt de waarheid

Peterson is niet eerlijk, zou dit postmoderne denken kunnen zeggen. Hij gaat niet ver genoeg. Hij bekritiseert van alles, maar niet zijn eigen (ideologische) uitgangspunten. Hij laat geen ruimte voor twijfel aan zijn eigen rationele, intellectuele methode. Anders gezegd: hij is niet pessimistisch genoeg. Hij denkt dat de wereld in de kern een onderliggende orde heeft. Maar dat weten we niet.

Volgens Žižek is Peterson iemand die de waarheid liegt*. Hij zegt wel ware dingen, maar bedekt daarmee (onbewust?) een ‘leugen’. Namelijk de (onbewezen) ‘leugen’ dat er een orde is en dat je met rationaliteit en waarheid verder komt.

Precies daar komt Žižeks (polemiserende) vergelijking met het nazisme vandaan. De Nazi’s gebruikten argumenten tegen die Joden die best vaak waar konden zijn. Vergelijk het met populisten vandaag: een deel van wat ze zeggen is feitelijk waar. Over criminaliteitscijfers en problemen met mensen met een migratie-achtergrond. De statistieken spreken hen niet tegen.

Maar onder die waarheden, kan zomaar een leugen liggen. De leugen dat als we de Joden uitschakelen, of de migranten weren, of feministen en social justice warriors het zwijgen opleggen, dat alles dan koek en ei is. En dat is maar zeer de vraag, zo zegt Žižek. Ook je eigen ideologie moet onder de kritische loep.

Rug recht of rug krom

Het is interessant dat zowel Peterson als Žižek veel christelijke thema’s gebruiken in hun theorieën (veel hedendaagse filosofen doen dat trouwens – ik schrijf er een boek over). Ze gaan er allebei een heel andere kanten mee op. Peterson ziet de Bijbel als een boek dat je kan helpen om te kiezen hoe je moet handelen. Handelen volgens zijn eigen 12 principes, waarvan ‘recht je rug’ er één is en ‘spreek de waarheid (of lieg tenminste niet)’ een ander.

In de filosofie van Žižek vervult het Bijbelse verhaal een andere rol. Hij ziet ze als verhalen die ons helpen te zien dat we in een wereld leven die geen betekenis en orde heeft. En dat God er soms met de handen in het haar bij staat. Of in ieder geval dat hij geen oplossingen aandraagt, geen antwoorden heeft en geen richtlijnen stelt. Geen godsdienstleraar-God. Hoogstens een God die mee-lijdt. Een God met een kromme rug.

Die laatste God, daarvan had ik gewild dat mijn godsdienstleraar meer kennis had gehad.

*Žižek noemt het een leugen, vanuit jargon uit de psychotherapie. Filosofisch kun je misschien beter spreken over een (onbewuste) onwaarheid. 


Bronnen: