Jean-Jacques Suurmond: ‘Kerst is een inbraak.’

Jean-Jacques Suurmond: ‘Kerst is een inbraak.’

Verstopt in een grottige stal, komt God de wereld in als een dief in de nacht. Nadat hij ons geordende leventje binnenbreekt en  alles over hoop haalt, blijven wij in ‘een leeg huis’ achter. Voor Jean-Jaques Suurmond is Kerst beslist een inbraak. 

Pas was ik in Bethlehem, maar heb het kerstkind niet kunnen vinden. Wel luidruchtige Palestijnen in luidruchtige auto’s, glazen vitrines in souvenirwinkels, zwerfplastic langs de weg en een grijze betonnen muur met daarop een tekening van een dansend meisje van Banksy.

Incognito in de wereld

Was ik verbaasd? Niet echt. Toch went het nooit dat God zich schuilhoudt. Hij komt niet als een imponerende messiaanse oorlogsgod zoals de joodse gemeenschap van Qumran, bekend van de Dode Zee-rollen, dacht. Nee, hij is incognito in de wereld, als een dief in de nacht. Bij de geschiedschrijvers van tweeduizend jaar terug is nul komma niks over het kerstkind te vinden.

God verstopt zich in Jezus in een grottige stal. Nog een wonder dat de herders hem konden vinden, mompelend in hun ruwe accent over engelverschijningen. Maar de wijzen uit het oosten raken op hun kamelen verdwaald zodat ze bij koning Herodes aankloppen. Zo’n beetje het minst wijze ding dat je kunt doen. Was dat omdat ze teveel in hun denkhoofd zaten? Dan gaat hun een onverklaarbaar licht op: een ster wijst de weg.

De herders verlieten hun kudde, de wijzen hun sterrenkijkers: wat bewoog hen om hun vertrouwde bestaan achter te laten? Er was bij hen ingebroken. God komt in de wereld als een dief in de nacht. Waarom niet openlijk? Wil hij niet betrapt worden? En de buit, wat is de buit die hij steelt? Is die soms ons eigen hart? Voelen we daarom een schrijnend gemis en zoeken we naar hem, naar de zin van het bestaan, de bron van leven? Is God er met ons hart vandoor gegaan? Om dat vervolgens – wat een vreemde ruil – in te wisselen voor zijn eigen hart?

“Als een haastige dief laat hij een hoop rommel achter.”

Overhoopgehaald

Met Kerst breekt hij ons wereldje binnen. Als een haastige dief laat hij een hoop rommel achter. Hij verbrijzelt het glas van onze luidruchtige eigenwaan, slaat een gat in de betonnen muur van onze agressie, haalt het zwerfplastic van al onze mooie plannetjes en voornemens weg. Ons geordende leventje wordt overhoopgehaald en wij blijven in een leeg huis achter met een brandend verlangen dat soms aan wanhoop grenst. Gelukkig (?) hebben we tegenwoordig de GGZ en medicijnen zodat we net kunnen doen alsof er helemaal niet is ingebroken. “Hoe het met mij gaat? Goed hoor, alleen slapen lukt niet zo en alles voelt wat grijs en vlak, nou ja, je kunt niet alles hebben.”

Maar die lege plek in ons binnenste, dat onrustige verlangen, is niet iets om over te tobben of om te ontlopen of met pillen te dempen. Ons verlangen is niets minder dan de ster of engel die de weg wijst. Een vreemde weg, zodat mensen raar zullen hebben opgekeken toen de herders en wijzen alles achterlieten om, elk op hun eigen manier, op weg te gaan naar Bethlehem. Waar verborgen in alledaags stro de schuldige dief van ons hart slaapt – Jezus, die Zelf Gods hart is.

Na hun bezoek keren de herders en wijzen terug naar hun schapen en sterrenkijkers. Maar weer thuis blijkt het stro van hun gewone bestaan veranderd te zijn. Alsof de wereld opnieuw is geboren. Alles zingt en draait en danst op een nieuw ritme.

Op het kloppen van het hart van God.