‘De dominee, die twijfelt niet aan zijn geloof. Toch?’

‘De dominee, die twijfelt niet aan zijn geloof. Toch?’

Bewapend met stevige geloofsovertuigingen begint Pieter Jan Kruizinga aan zijn theologische opleiding. Tot zijn schrik veranderen deze zekerheden al snel in extreme onzekerheden. En hij is niet de enige… 

Vijf jaar geleden begon ik de opleiding Godsdienst Pastoraal Werk (GPW). Zeker wetend dat ik de wereld zou gaan vertellen hoe alles zat, begon ik aan deze studie. Gewapend tegen docenten die de poten onder mijn stoel van zekerheid zouden wegzagen. Mij zouden ze niet krijgen! Bij elke poging mij te laten nadenken werden mijn antihomo, anti-evolutie en antivrouw standpunten feller.

Gefaald

Hoe het precies is gebeurd, weet ik nog steeds niet, maar hoe harder ik schreeuwde, hoe meer ik begon te twijfelen aan mijn eigen overtuigingen. Ik was altijd extreem overtuigd geweest van mijn zekerheden. Daarom had ik nooit verwacht dat mijn onzekerheden ook deze ontwikkeling zouden doormaken. Vooraf was mijn doel kraakhelder: ik wilde werken in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Maar na anderhalf jaar studeren had ik geen flauw benul waarom ik deze opleiding ooit was begonnen. Ik bleef ingeschreven, maar volgde nauwelijks colleges. Ik vond het verschrikkelijk om na te denken over God. Ik verafschuwde elk gesprek over geloof. Het was pijnlijk, maar alles beter dan toegeven dat ik had gefaald…

“Ik liet God gaan en Hij mij”

In mijn hyperfocus op God had ik een foto van Hem genomen, extreem ingezoomd. Ik was blijven staren naar die paar pixels die ik zag. Nu ik niet meer aan Hem dacht of over Hem las en sprak, had ik zover uitgezoomd dat ik weer opnieuw kon beginnen. Zo gingen er maanden voorbij waarin ik God meed uit mijn gedachten, ik liet God gaan en Hij mij.

Toch wist ik dat Hij daar nog ergens was in de verte. Die ruimte tussen God en mij was precies wat ik nodig had. God loslaten was mijn grootste angst, maar het bleek de wederopstanding van mijn geloof. In de nieuwe ruimte kon ik weer ademhalen en zo gingen God en ik ons tweede huwelijk aan, met dit verschil: ik wist nu vaag wie Hij was en dat we voor elkaar bestemd waren.

Tweestrijd

In mijn ‘nieuwe geloof’ is God groter geworden. Juist doordat ik hem niet volledig meer hoef te begrijpen. Het is nu een geloof waar ruimte is voor elke vraag. Maar zou ik met dit geloof nog wel kunnen werken in een gereformeerde kerk? Kon ik met mijn nieuwe normen de baan krijgen die ik ooit zo graag wilde?

Een vriend en jaargenoot herkende deze vraag. Zodoende besloten we samen predikanten, pastoraal werkers en godsdienstleraren, uit de Christelijke Gereformeerde Kerken en Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, van onze eigen generatie te gaan bevragen met hulp van een onderzoek.

Er moesten meer mensen zijn die, net als wij, niet wisten of ons nieuwe geloof past bij de kerk waarin we werken of willen werken. Zo ontstond de scriptie: Millennial geloofswerkers in tweestrijd.

De vier grote thema’s die naar voren komen in de deze scriptie, bespreek ik aan de hand van mijn eigen ervaringen als gelovige, godsdienstdocent en theologiestudent.

‘Millennials hebben helaas een keuze, we kunnen alles geloven wat we willen, verschrikkelijk!’

1. Keuzestress millennials

Ik heb twee gemiste oproepen van mijn vader. Terwijl ik twijfel of ik zin heb om terug te bellen, gaat de telefoon voor de derde keer: ‘Ja, met pappa. Ik sprak net weer met je wijkouderling en hij vindt nu ook dat je echt een keuze moet maken. Je woont hier al twee jaar niet meer en je bent nog steeds lid. Dat kan toch niet?’ Ik mompel dat ik het wel ga regelen en hang op.

Millennials hebben helaas een keuze, we kunnen alles geloven wat we willen en kunnen alles proberen, verschrikkelijk. Generaties voor mij kampten ongetwijfeld met dezelfde vragen over kerk en God, maar kregen minder de ruimte om te gaan onderzoeken. Juist de vrijheid die millennials krijgen kan voor stress zorgen: keuzestress.

De verschillende geloofswerkers die we interviewden, gingen vrijwel allemaal een soortgelijke weg: je wordt opgevoed met het geloof van je ouders, vervolgens kom je in een geloofscrisis en ga je alles betwijfelen.  Daarna vorm je een eigen geloof, met nieuwe normen, maar ook met de waarden van vroeger. Naastenliefde uit zich dan bijvoorbeeld niet alleen in praten over het Evangelie, maar eerder in het praktisch helpen van je naaste.

De geloofswerkers die meededen aan het onderzoek beschreven ‘de fase van onzekerheid’ ook op een soortgelijke manier. Een van de respondenten zei: ‘In een paar maanden tijd had ik het gevoel dat alles wat ik zeker dacht te weten, op losse schroeven stond. Het voelde echt alsof heel mijn geloof als zand was, wat zo uit mijn handen zakte.’

Achteraf zeggen de geloofswerkers dat zij door hun crisis God anders hebben leren kennen en tegelijk hun orthodoxe kern hebben behouden. Ze kijken met nieuwe blik naar de overtuiging die ze van huis uit meekregen. Hierin wordt niet afgegeven op de kerk of hun ouders maar wordt juist de geloofsopvoeding gewaardeerd. Ze hebben geen negatieve ervaring met de kerk zoals de generatie voor hen en zoeken naar een manier om gereformeerd te blijven.

Dit sluit aan bij de theorie over geloofsontwikkeling van godsdienstpsycholoog James Fowlers die deze verschillende fasen beschrijft (Stages of Faith, 1981). Daarnaast hebben millennial-geloofswerkers ook ruimte om na te denken over diepere overtuigingen: ‘Is Jezus voor je zonden gestorven, is Hij uit de dood opgestaan? Hoe ziet de toekomst eruit? Nou ja goed, daar kan ik ook wel echt serieus over twijfelen, als ik er goed over na ga denken.’’

‘Ik wéét niet hoe het zit met schepping en evolutie – en daar heb ik vrede mee.’

2. Minder leer, meer verwondering

Ik weet dat ik niet in discussie moet gaan, maar ik weet ook dat ik het toch wel doe. ‘Nee, ik geloof niet in een zesdaagse schepping, maakt mij dit nu een atheïst?’ Mijn collega kijkt me verward aan en zegt: ‘Ik bedoel het niet gemeen hoor, maar ik vind het eigenlijk niet kunnen dat jij godsdienst geeft op een gereformeerde school.’

Na de discussie met mijn collega-docent vraag ik me af waarom ik zo stellig was. Blijkbaar ben ik mijn stelligheid niet verloren. Achteraf had ik liever gezegd wat ik echt denk, namelijk: ik wéét niet hoe het zit met schepping en evolutie – en daar heb ik vrede mee. Voorheen was ik bang dat ik niet meer zou kunnen geloven wanneer ik niet in een zesdaagse schepping geloofde. Nu is het een vraag die niks meer zegt over mijn geloof.

‘Belijdenissen en kerkordes zijn modderig drekkerig slootwater.’

De focus ligt niet meer op feitjes, maar op verdieping en verwondering. Ik vind het ondertekenen van de belijdenisgeschriften dan ook een lastig punt. Moeten de millennials de belijdenissen herschrijven en vraagtekens zetten bij de kerkordes? ‘Belijdenissen en kerkordes zijn modderig drekkerig slootwater. Als daar überhaupt iets van licht in komt, als het iets minder troebel wordt, no dan is dat pure genade, dan is dat werking van de Geest’, zei een jonge predikant uit de CGK. Een andere pastoraal werker uit de CGK baalt van de conservatieve keuzes van zijn kerkverband rondom vrouwen in het ambt.

3. Eerlijk zijn: een spagaat

Mijn gereformeerde vmbo-leerlingen stormen opgelaten het klaslokaal binnen. Ze weten welke les eraan komt… het hoofdstuk over relaties en seksualiteit. Uiteraard is dit iets om naar uit te zien! Vlak voordat ik wil beginnen hoor ik achteruit de klas: ‘Meneer, even eerlijk, u bent toch ook geen maagd meer?’

Ik geef hetzelfde antwoord op de vraag die de week hiervoor werd gesteld over drugs: ‘Als je wilt dat ik ontslagen word, wil ik best antwoord geven.’

Dit is precies de spagaat waar de geloofswerkers zich in bevinden: eerlijk zijn en je baan verliezen of eromheen draaien en je werkomgeving pleasen. Natuurlijk gaat het niet altijd direct over het behoud van een baan, maar de angst daarvoor speelt zeker een rol. Dat die angst reëel is bewijst de situatie rondom de docent van het Driestar College die werd ontslagen, juist omdat hij open en eerlijk was.

“In hoeverre is het altijd zinvol om eerlijk te zijn?”

Toch is de angst voor ‘onrust en verdeeldheid’ een grotere aanleiding voor verdeeldheid, dan een mogelijk ontslag. Uit het onderzoek bleek dat meerdere predikanten liever ‘met de wind mee waaien’ dan dat ze eerlijke uitspraken doen. Op deze manier kunnen ze gemeenteleden te vriend houden. Want, in hoeverre is het altijd zinvol om eerlijk te zijn?

Een vrijgemaakte dorpspredikant die we interviewden, zei het volgende, naar aanleiding van de discussie over de rol van vrouwen in de kerk: ‘Men komt daar niet in mee, men begrijpt het niet, men wordt er onrustig van. Dan voel ik me niet vrij om te zeggen hoe ik er over denk.’

Deze predikant stond zelf open voor vrouwen in het ambt, maar zei er niets over. Hij wist dat het onrust zou geven. Predikanten moeten continu een afweging maken tussen hun ‘echte eigen mening geven’ of ‘de lieve vrede bewaren’ in de gemeente. Hierdoor ontstaat bij sommigen een onhoudbare situatie. Een predikant die we interviewden zei het volgende over de periode vlak voor zijn burn-out: ‘Ik hoorde mezelf ook zeggen, terwijl ik onderweg was naar weer eens zo’n kerk om daar iets te gaan doen, dat ik helemaal dor was vanbinnen. Dan heb je gewoon niks meer te geven.’

‘Je naaste? Dat is ook degene tegen wie je opkijkt.’

4. Aandacht voor je naaste

We gaan eten. En dan is er dat ongemakkelijke moment: er moet gebeden worden. Wie neemt het initiatief? Terwijl ik rustig afwacht, wijst iemand mij aan: ‘Pieter Jan, jij kan wel bidden, je studeert er toch voor?’

Jezus leerde ons dat je naaste diegene is van wie je dat het minst verwacht. Gelukkig weten we dat we óók goed moeten zijn voor hoeren, zwervers en hedendaagse tollenaars. Toch denken we nog te gemakkelijk; je naaste is degene van wie je het écht niet verwacht. Je naaste is niet altijd degene die onder aan de maatschappelijke ladder staat, je naaste is ook degene tegen wie je opkijkt.

‘Mensen die op zoek zijn, vinden voldoening in de vraag in plaats van in antwoorden.’

Kijk ook om naar de mensen van wie je denkt dat het wel goed met ze zit. Nog steeds hebben veel pastoraal werkers geen echte gesprekken, over bijvoorbeeld hun twijfels, puur omdat niemand hen ernaar vraagt. Aan het geloof van de dominee wordt niet getwijfeld: met hem zou het wel goed zitten. Juist de geloofswerkers die aan het onderzoek meededen, verlangden naar een gesprek waarin alles gezegd mag worden. Je geloofswerker is ook je naaste.

Geloofswerkers hebben behoefte om gesprekken te voeren die terug gaan de kern: Waarom geloof ik? Wat is een christen? Waarom ga ik naar een kerk? En niet alleen geloofswerkers, maar ook kerkgangers en kerklozen zijn op zoek naar zingeving en weten vaak niet waarom ze doen wat ze doen.

Mensen die op zoek gaan naar wat hen het diepste beweegt, vinden voldoening in de vraag in plaats van in de vele verschillende antwoorden.

Deze zoektocht raad ik iedereen aan.


Na het voltooien van zijn afstudeeronderzoek Millennial geloofswerkers in tweestrijd, is Pieter Jan Kruizinga samen met Danïel Kehanpou gestart met Zingevers: een bureau dat kerken en organisaties helpt met teambuilding en visievorming.