‘Ook ik veroordeel jullie niet’, zei de rabbi…

‘Ook ik veroordeel jullie niet’, zei de rabbi…

Rudolf las dit weekend de Nashville-verklaring, waarvan de inhoud voor hem zo in contrast stond met de Jezus die hij kent. Hij probeerde zijn gedachten erover vorm te geven met dit verhaal.

De warmte was verzengend. Hij zat op een rots in de schaduw van een boom aan de zijkant van de open plek. Lang geleden kaal gegraasd. Doezelend, voor even rustend, met zijn ogen half dichtgeknepen.

Opeens was er geluid in de verte en hij draaide luisterend zijn hoofd. Opgewonden geschreeuw dat dichter en dichterbij kwam. Daar kwamen de eersten achter de bomen vandaan. Meer dan honderd waren het er. Hij kende ze wel. Velen keken met respect naar hen op. Velen luisterden als zij spraken. Velen zwegen. De schaapherders van het volk. In hun zwarte pakken.

Hij schrok, en als je goed gekeken had, had je even de pijn in zijn ogen kunnen zien. Ze sleepten drie mensen mee. Een man, een vrouw, en eentje van wie je het niet zo goed kon zien wat het was. Hun kleren waren gescheurd. De man had een blauw oog. De vrouw liep met gebogen hoofd en durfde niet om zich heen te kijken. De laatste jammerde zachtjes.

In het midden van de open plek werden ze neergegooid, murw gebeukt bleven ze liggen. Hun tranen drupten in het zand. De mannen raapten stenen en stukken rots op van de grond en vormden een grote cirkel om hen heen. Vier van de ouderen stapten naar voren.

Eén hief zijn handen op om allen tot stilte te manen en nam toen met overgeslagen stem het woord. ‘Rabbi. Kijk ze daar.’ Hij kuchte even en ging toen verder op zalvende toon: ‘We houden van ze. Want wij hebben God lief en onze naaste als onszelf. Maar u weet wat de geschriften ook zeggen. Ze zijn zondaars. Zondaars zijn het.’

‘Freaks, dat zijn het, misbaksels!’, schreeuwde een van de jongeren. Instemmend geroep. ‘Ze zijn God onwaardig. Zonder hen zou de wereld een betere plaats zijn!’, schreeuwde een ander met rood verhit hoofd.

De oudste knikte aarzelend, kneep zijn ogen samen en zei: ‘Wat denkt u, rabbi?’

Wie van jullie zonder zonde is, laat die de eerste zijn die zijn steen naar deze drie gooit

Iedereen wachtte. Het werd steeds stiller. Stelling moest er genomen worden. Je was voor óf je was tegen. Hoe dan ook, ze zouden hem kruisigen.

De rabbi bukte, en begon met zijn wijsvinger te bewegen in het zand. Tekenen? Schrijven?

Ook de drie beschuldigden keken naar hem op. Toen hij uitgeschreven was, keek hij nog eenmaal naar wat er in het zand stond. Zijn hoofd ging omhoog en hij zocht de ogen van de drie die hem aankeken.

Pas daarna keek hij de kring rond. Naar de sprekers, de mannen in hun zwarte kleren, de jongeren, de ouderen. Wat kende hij ze goed. Wat hield hij ook van hen.

‘Jullie kennen me toch? Ik ken jullie, allemaal. Wie van jullie zonder zonde is, laat die de eerste zijn die zijn steen naar deze drie gooit.’

Hij ging weer zitten en staarde naar het zand voor hem, waar druppels de letters langzaam onleesbaar hadden gemaakt.

De mannen keken elkaar aan. De jongeren pakten de stenen op die ze zolang hadden neergelegd en wachtten op het teken van de ouderen. Enkele ouderen bogen hun hoofd. Ze hadden tranen in hun ogen en liepen langzaam weg. Een golf ging door de grote groep heen. Zij? Liepen zij weg? Maar zij waren de voorbeelden, ooit wilden ze worden zoals zij…

De drie keken angstig naar wat er om hen heen gebeurde. Maar wat ze vreesden, gebeurde niet. Verslagen liet een jongere zijn steen vallen en sjokte achter de oude mannen aan. En toen er eenmaal meer begonnen te lopen, sloten zich steeds meer mannen aan.

De zon begon te zakken, en de open plek was weer leeg en stil geworden.

De man krabbelde overeind, de vrouw hield hem vast. De derde wees. ‘En u? En u?’

‘Er is niemand over om jullie te veroordelen. Ook ik veroordeel jullie niet’, sprak de rabbi.

Zuchten van verlichting gingen door de drie heen terwijl ze daar trillend op hun benen stonden.

Toen zei hij: ‘Ga heen en zondig niet meer.’

Met schrik in hun ogen keken ze hem aan. Dus toch?

‘Nee!’, riep hij, en kwam naar ze toe lopen. Hij omhelsde ze.

‘Wat ik daarmee bedoel is dit: kom met mij mee en wandel in de vrijheid die ik voor je heb. De vrijheid van schaamte, de vrijheid van veroordeling, de vrijheid van zonde, van alles wat jou kapot wil maken. De vrijheid om jou te zijn. De vrijheid om onverantwoordelijk veel geliefd te worden en je geliefd te voelen. De vrijheid om anderen onverantwoordelijk veel lief te hebben. Want dat, dat is mijn verklaring.’

Bij wie het eerst de lach opborrelde, wisten ze niet meer. Maar dat die lach vol was van spanning, verdriet, vreugde en hoop, dat voelden ze wel. En dat zijn lach net zo vol was van verdriet en pijn, als van vreugde en hoop, dat voelden ze ook.

Vrij verteld naar Johannes 8.


Rudolf vertelt verhalen: face-to-face, aan grote en kleine mensen. Voor Lazarus schrijft hij dit jaar over zijn pelgrimstocht door Spanje naar Santiago de Compostella. Zijn blogs lees je hier.