Verlangen naar thuis: ‘Als ik mijn ogen dichtdoe, ben ik opeens weer een jongetje van tien’

Verlangen naar thuis: ‘Als ik mijn ogen dichtdoe, ben ik opeens weer een jongetje van tien’

Overdreven dweperig vond Karlien die psalmen waarin werd verlangd naar de zoetheid van dadels of de ceders van Libanon. Maar als ze haar man naar zijn Syrië ziet verlangen terwijl hij watermeloen eet, snapt ze opeens die oudtestamentische dichters wat beter. 

Mijn man en ik zitten aan tafel. We eten watermeloen met Syrische kaas en Libanees platbrood. ‘Als ik mijn ogen dichtdoe’, zegt hij, ‘dan ben ik weer een jongetje van tien’. Voor hem is het even augustus, want dan is de watermeloen op zijn zoetst. Hijzelf is geboren in de maand van de olijvenoogst. Tenminste: dat is de maand die op zijn paspoort staat. Maar volgens zijn moeder is hij een jaar later geboren, in de maand van de door hem zo geliefde meloenen.

Mijn man neemt nog een hap. Hij kijkt me verwachtingsvol aan: vind ik het wel echt net zo lekker als hij? Een paar uur later, als het avondeten op tafel staat, hangt hij met zijn neus boven een glazen potje met donkergroene pepers en hij zucht. Toen we nog niet zo lang samen waren, dacht ik dat zijn liefde voor typisch Syrisch eten te vergelijken was met mijn liefde voor de appeltaart van mijn moeder of de lasagne van mijn vader. Jeugdsentiment. Nostalgie. Nu weet ik: de geur en de smaak van het eten betekenen veel meer dan dat. Als hij eet, dan eet hij zich een weg naar een wereld die niet meer bestaat.

Schoonheid en pijn proeven

Eenzelfde soort verlangen naar een voorbije tijd en plaats hoor ik terug in liederen van oudtestamentische zangers: liederen over het missen van de ‘ceders van de Libanon’, de zoetheid van dadels of over de muren van Jeruzalem.

Overdreven, een beetje dweperig.

Ik denk niet dat ik die woorden ooit hardop heb uitgesproken, maar gedacht heb ik ze wel. Ik begreep het niet zo goed.

Nu wel. Of in ieder geval: iets beter. Als ik naar mijn man kijk en de dingen eet die hij eet, proef ik letterlijk en figuurlijk de schoonheid en de pijn van verlangen. Dat is ten diepste geen verlangen naar de dadels of de bomen die er groeien. Geen verlangen naar de meloenen en pepers zelf, maar een onbedwingbaar, altijd op de achtergrond aanwezig verlangen naar een plek waar je thuis bent.

Het plaatje is zoveel groter 

Mijn natuurlijke reactie op de confrontatie met pijn, teleurstelling, boosheid en verdriet is vrijwel altijd hetzelfde: ik zoek meteen naar oplossingen. Wat kan ik doen en wat kan de ander doen om dit minder fijne gevoel of deze lastige situatie zo snel mogelijk op te heffen?

Het gekke is: die behoefte voel ik helemaal niet bij het zien van zijn gemis en het daarmee samenhangende verlangen. Zo sterk naar iets verlangen heeft ook iets moois, iets benijdenswaardigs zelfs. Misschien wel omdat het verlangen vaak samen lijkt te gaan met een diep besef dat dat wat er nu is, niet alles is. Dat het plaatje groter is dan het hier en nu.

Of misschien zit de schoonheid ‘m wel in datgene wat er uit verlangen geboren kan worden: de mooiste muziek, de meest hartverscheurende gedichten, de rijkste verhalen. En hoe het delen daarvan mensen bij elkaar kan brengen. Nu eens niet door een gezamenlijke vijand, maar in een gedeelde droom. Een droom over een tijd en plaats waar iedereen meer thuis zal zijn dan dat hij of zij dat ooit geweest is. Geen doekje voor het bloeden, geen makkelijk antwoord op lijden dat veel te groot is, maar een belofte: the best is yet to come.

Hopen op een hemel

Door mijn man en door al die andere mensen in mijn omgeving die een land achter zich hebben moeten laten en zich nu hier al ploeterend een weg door het leven banen, is er ook bij mij een verlangen geboren. Niet naar vroeger, niet naar Syrië, Eritrea of een andere fysieke plek, maar een nieuw verlangen naar een hemel, een leven na dit leven.

En ik stel me voor dat alles wat er op deze prachtige en verschrikkelijke wereld ooit goed, mooi en waar was, daar opnieuw zal zijn. De geur van watermeloenen en de kleur van de grond in het dorp waar mijn man geboren werd. Maar ook de treurwilg aan de overkant van het water waar ik opgroeide, de kraakheldere winterluchten boven de kale aardappelvelden die ik als kind, vanaf de achterbank van de auto, voorbij zag flitsen. De muziek van Bach, de gedichten van Rumi en de appeltaart van mijn moeder.

Kinderlijk naïef? Misschien. Misschien ook niet. Wie zal het zeggen?

De tijd zal het leren. En tot het zover is… Koop ik potjes donkergroene pepers, dein ik mee op de muziek van de luit en keer ik zo nu en dan terug naar het vlakke land van mijn jeugd.

Meer lezen van Karlien? Kijk dan hier.