Om ons ruimte te geven, beperkt God vrijwillig zijn eigen bewegingsvrijheid

Om ons ruimte te geven, beperkt God vrijwillig zijn eigen bewegingsvrijheid

In deze nieuwe serie #nieuw-oud-geloof stoft Reinier Sonneveld oude theologische begrippen af en laat ze weer glimmen. Nu deel 5, over ‘tsimtsum’ en ‘kenosis’, oftewel: God is geen poppetje in dit heelal, dit heelal is een belletje in God. 

Wat gebeurt er wanneer je liefhebt? Wat is dat voor een handeling? Wat ‘doe’ je dan en hoe kun je daarin groeien?

De wereld zou een leukere plek zijn als we wat beter werden in liefhebben. We kunnen het vuur ontsteken, maar we worstelen vaak om het vuur van de liefde te laten branden. We vliegen naar de maan, maar vinden onze buurman niet eens. We horen berichten van de andere kant van de oceaan, maar begrijpen onze partner nauwelijks. We zien de verste sterrenstelsels, maar glijden over het oppervlak van onze ziel.

Love invents us

Soms helpen beelden en woorden. In deze serie onderzoek ik oude theologische begrippen en hoe obscuurder ze klinken, hoe beter – want als je ze oppoetst, blijken ze verbazingwekkend nuttig. In dit geval heb ik veel over de liefde geleerd in de woorden tsimtsum en kenosis.

Misschien maken de drie woorden – die mijn vrouw en ik ooit op een gevel in New York tegenkwamen – al wel direct de kern duidelijk: Love invents usDe liefde vindt ons uit. Wij keken ernaar en zeiden: ja, dat is in drie woorden wat wij geloven. Wij worden wat we zijn door de liefde. En nauwelijks andersom, dat wij de liefde uitvinden, wij het maken.

(tekst loopt verder onder afbeelding)

God is veel meer

Copernicus kwam ooit met het voorstel dat de aarde om de zon roteert in plaats van andersom. Het eigenaardige is, dat veel eerder enkele Joodse profeten een nog veel radicalere Copernicaanse wending hadden voorgesteld: dat wij niet God verzinnen, maar hij ons. Dat wij niet God uitspreken, maar hij ons.

Ik voer veel gesprekken met allerhande gelovigen. Soms vallen me plotseling patronen op in de ingewikkeldheden waar zij, mijzelf incluis, mee worstelen. Een van de grootste misverstanden is ‘de wending’ niet meemaken. Daar hoort bij dat we ons God voorstellen als entiteit of object. God is dan een ‘wezen’, vaak ook nog eens een ‘persoonlijk wezen’.

Nu kun je God inderdaad beschouwen als een wezen en een persoon, mits je beseft dat deze termen – en misschien wel alle woorden voor God – een metaforisch karakter hebben. Een metafoor duidt op een bepaalde overeenkomst, maar het aangeduide overstijgt die overeenkomst altijd. Anders zou het een definitie zijn. Dus jazeker, God heeft iets ‘wezenlijks’ en ‘persoonlijks’, in die zin dat wij communicatie met hem ervaren en we van alles voelen wat we bij gewone personen voelen. Maar hij is nog veel meer dan dat.

Een metafoor is als een poort. De poort is altijd kleiner dan het huis. En in het geval van God komt je door de metaforen heen niet in een huis, maar je stapt daar juist uit, de buitenlucht in – je beweegt je vanuit de eindigheid richting de oneindigheid.

Licht verlichten

Wat gebeurt er als we de buitenlucht met het huis verwarren? Dit is namelijk het probleem denk ik. We behandelen God alsof hij ‘een huis’ is, een wezen, een object, dat enigszins beschrijfbaar is volgens de gebruikelijke procedures. Maar hij is de brón van al die wezens en object en daarmee van volstrekt andere orde.

Ik probeerde ooit een sprookje te schrijven over iemand die met een zaklamp de zon probeert te verlichten. Het leek me de perfecte metafoor voor mijn werk als theoloog. Want iets over God (‘theo’) zeggen (‘logos’) is diep paradoxaal. Hij is degene die alles gezegd heeft en daarover zeg je dan iets. Hij geeft alles betekenis en die wijs je betekenis toe. Hij is het Woord en aan hem geef je woorden.

Plot-technisch kreeg ik het sprookje uiteindelijk niet rond. Met een zaklamp de zon proberen te verlichten, dat is zó onzinnig dat zelfs de satire begint te hakkelen. Waarop ik vervolgens als theoloog een probleem had. Want als ik de metafoor voor mijn werk al niet rond kreeg, wat voor zin had mijn werk zelf dan? Was ik iemand die water probeerde te duwen in een woest omhoog spuitende geiser?

Later realiseerde ik me dat mijn werk niet eens is ‘als met een zaklamp de zon proberen te verlichten’, maar met een zaklamp het licht zelf probeert te verlichten.

God is in de ervaring van de monotheïstische religies geen wezen onder de wezens. Hij is de bron van alle wezens en daarmee wezenlijker dan alle wezens: de ‘wezenlijkheid’ zelve. God is geen object onder de objecten, maar hij draagt alles en is objectiever dan alle objecten: de ‘objectiviteit’ zelve. Hij is geen bewustzijn onder de bewustzijnen, maar hij is de bron van als het bewuste: de bewustheid zelve.

Ah, gaat het al duizelen? Bij wie het nu niet gaat duizelen: ga het bovenstaande nog eens een keer lezen. Wie dit begrijpt, heeft het niet begrepen.

Vastlopen

Atheïsten en veel gelovigen die vastlopen, verwisselen het huis met de buitenlucht. Ze behandelen, anders gezegd, God als een van de entiteiten. En dan ga je bijvoorbeeld om bewijs vragen, argumenten voor God. Dan moet hij zich tonen zoals andere objecten zich tonen en als hij zich niet toont bestaat hij niet. En omdat hij zo groot is, moet het bewijs ook wel heel groot zijn. Extraordinary claims require extraordinary evidence. En als dat superbewijs niet komt, is Gods bestaan super-onwaarschijnlijk.

Het is alsof je eerst de buitenlucht definieert als ‘iets met een deur, een plafond en een bankstel’. Je staat in die buitenlucht en je ziet om je heen alleen die deur, maar geen plafond en geen bankstel, en je concludeert: nee, ik sta niet in de buitenlucht.

De monotheïst staat vaak met wat verbijstering te kijken naar het triomfantelijke toontje van de atheïst. God bestaat niet? Hoezo dan? Je hebt nu alleen aangetoond dat er geen ‘godje’ bestaat. Ja, daarover zijn we het eens. Nee, er zijn goddelijke wezens in dit heelal, het polytheïsme werkt niet – en trouwens, dat wisten we een paar duizend jaar geleden al.

Tsimtsum

Het begrip tsimtsum is hierin heel behulpzaam, heb ik gemerkt. Het is ontwikkeld in een Joodse mystieke stroming in de Middeleeuwen en staat voor hoe God in zichzelf ruimte geeft aan zijn schepping. Sommige teksten spreken over Gods eeuwige licht (Ein-Sof) dat zelfs ‘sterft’ zodat er plek ontstaat voor iets anders.

Een beeld dat ik hierbij vaak gebruik, is God als een eindeloze oceaan. Een oceaan waarin hij zelf iets inschikt voor een belletje – dit is ons heelal. Wellicht zijn er nog veel meer belletjes, ander heelallen. Maar het gaat me om de volstrekte omdraaiing van het perspectief. God is geen poppetje in dit heelal, dit heelal is een belletje in God.

Verborgen in God staat er in Kolossenzen 3. Het is niet zo dat er een grote werkelijkheid is en daarbinnen is dan ergens ook nog een wezen dat we ‘God’ noemen. Nee, God is alles wat er is. Hij strekt zich uit in alle eeuwigheden, in alle tijden, alle dimensies, alle werkelijkheid. Daarbinnen ontstaat dan tijdelijk even iets anders. Een belletje. Een fractie. Wij.

Dit is een extreme gebeurtenis, op het randje van onmogelijk – God is toch per definitie alomtegenwoordig. Maar kennelijk is er deze mogelijkheid, in de uithoeken van de logica. God maakt zich minder alomtegenwoordig, hij heft zichzelf een beetje op. Hij beperkt zijn eigen wil door ruimte te bieden aan andere ‘willen’. Hij lijdt misschien wel: hij die pure activiteit was, puur bron, puur ‘straling’, tolereert nu andere ‘activiteiten’ in zich die iets met hem doen.

Dat is tsimtsum: je eigen bewegingsvrijheid vrijwillig beperken door ruimte te geven aan andermans bewegingsvrijheid. Dit betekent risico, misschien wel pijn. Terzijde: dit wordt vaak als de ‘vrouwelijke’ kant van God gezien, omdat de meest nabijgelegen metafoor het vergelijkt met ‘de baarmoeder van God’ waarin wij dan groeien.

Ruimte geven

Het oude begrip kenosis geeft hier nog wat meer diepte aan. Dit is niet in het Jodendom, maar in het christendom ontwikkeld en dat merk je. Het komt uit een van de oudste liederen over Jezus, welke ook in de Bijbel is opgenomen: Filippenzen 2. Hier staat dat hij zich ‘leegmaakte’.

Jezus leegde zijn menselijkheid om goddelijkheid te laten binnenstromen. Hij liet zich uitvinden door de liefde. Hij was gastvrij voor God.

Zo gaat het dus opeens twee kanten op: God maakt ruimte voor iets dat weer ruimte voor hem maakt enzovoorts. In het eerste essay in deze reeks had ik het over perichorese, de rondedans die God in zichzelf is. Nu kan ik dat beeld verrijken: dansen is een voortdurend ruimte geven aan elkaar. God is ‘een eeuwig ruimte geven’. Wat hij voortbrengt komt in die beweging ook het meest tot zijn of haar recht: al ruimte gevend aan elkaar.

Dit is onze taak: meedansen met God, hem toelaten en ons toegelaten worden. Dat is liefde, love invents us.

Spannend ja, wellicht ook voor God. Mijn vrouw is kunstenaar en ik schrijver. Allebei zijn we dus dagelijks bezig met tsimtsum, kenosis en ruimte in onszelf scheppen voor iets nieuws. Het mooist is het punt waarop dat nieuwe een eigen leven gaat leiden. De tekening van mijn vrouw ‘vraagt’ om nieuwe toevoegingen, een personage dat ik schrijf ‘wil’ iets onverwachts doen.

Zo is het spel tussen mensen, zo is het spel tussen God en mens. Het spel dat Jezus ultiem leefde. Wij zijn hier om elkaar aan tafel uit te nodigen.

Bekijk hier de andere essays in deze serie.