Dichtbij als je adem

Rikko geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag te lezen en te beluisteren.

Dichtbij als je adem

PopUpGedachte woensdag 29 mei 2019 – Dichtbij als je adem

Als er een God is, dan is hij – of zij, of het – geen entiteit out there, die door aanroepen, bidden, weesgegroetjes of kniebuigingen dichterbij gebracht kan worden. Het is geen figuur op een troon die aan de touwtjes trekt en op ons neerkijkt. Hoe vaak ook die hemel beeldspraak gebruikt wordt, dat er een God in de hemel is en dan verwijzen naar lucht en heelal. Dat is niet de hemel en daar is niet God. Dat hebben de astronauten aardig goed bewezen, tenzij het oneindige heelal nog een kamertje daaráchter de verste ster bevat. Ze hebben het bewezen omdat ze geloviger en spiritueler terugkwamen. Niet omdat ze over God struikelden achter planeet 451.000 en daardoor er niet omheen konden. Ze kwamen veelal geloviger en spiritueler terug omdat ze omkeken, terug naar waar ze vandaan kwamen en dat groenblauwe bolletje zagen hangen in dat oneindige heelal. Dat unicum van leven, waar alles – en dan letterlijk alles – zo precies was afgestemd dat het leven mogelijk maakte. Zo precies dat een paar graden warmer al de boel totaal in de vernieling zou helpen.

Dáár was God zichtbaar. In dat groenblauwe bolletje vanaf een afstand van oneindigheid. In dat groenblauwe bolletje als geheel en in elke cel die dat groenblauwe bolletje en haar vegetatie en bewoners vormden. Paulus zegt het zo vanochtend:

Hij is immers niet ver van ieder van ons.
Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn; 
zoals sommige van uw eigen dichters hebben gezegd: Want wij zijn van zijn geslacht.

Wij mensen zijn van goddelijke oorsprong, het leven en bewegen en het zijn is iets dat door Hem ontstaat. Zo is hij zichtbaar. Waar anderen een godenbeeld uit hout snijden, of uit steen, zíjn wij rondwandelende godenbeelden zelf. Waar geen altaartjes voor gefikst worden omdat er niemand is die via ons iets gedaan wil krijgen – want wij zijn de enigen die het ons bewust zijn. Een rondwandelende gemeenschap van godenbeelden, van godentempeltjes op aarde, markers van de goddelijke aanwezigheid. Maar niet alleen wij, ook de dieren, de vegetatie, de eencelligen, de zee. Het verwijst allemaal naar ‘zijn an sich’. Het bestaande, dat wat ademt, leeft, beweegt, dat wat stilligt en vegeteert, dat wat al die miljoenen jaren nooit heeft bewogen, vast als steen. Ook dat.

Het is niet ver weg, het hij of zij of het is in elk hij of zij of het. En men vindt het prachtig als Paulus dit allemaal zegt. Op de wijsheidsberg, de Areopagus in Athene. Maar dan vervolgt hij: en nu is het tijd om u te bekeren, want die almachtig zijnde bewandelde de aarde, liet zich kruisigen, stond op uit de dood en vraagt u rekenschap.

Daar moesten ze een beetje om lachen. Want filosofische beschouwingen zijn te gek, maar opstaan uit de dood opent zo’n absurde hoeveelheid aan mogelijkheden. Doorleven na de dood, dat kennen we wel, een geestenwereld en wat daarbij hoort. Maar dat het lijf weer terugkeert… Er moet een keer een einde zijn toch?

Ik weet niet precíes waarom die Areopagieten zo afhaakten bij dat praten over een opstanding. Ik vind het wel te gek dat Paulus geen enkele moeite heeft om aan te sluiten bij de geloofsbeleving die er al is. En dat men met plezier en verwondering luistert naar wat hij heeft te zeggen. Dat er achter al dat gefröbel van mensen, het uitleveren van jezelf aan dit godje of dat godje, een alles ziende, alles bewegende, alles makende aanwezigheid is, die dichtbij is, uit wie wij voortkomen.

Ik ben wel benieuwd wat er moest gebeuren als zij zich zouden moeten bekeren? Zouden ze dan allemaal naar de synagoge moeten? Het juiste gebed prevelen? Ik hoop zo dat hij dan zou beginnen over de manier waarop de stad handelde, de keuzes die men maakt in het dagelijks leven. Zoals Jezus leerde hoe om te gaan met de ander, hoe lief te hebben, hoe outsiders voorbeeld worden voor insiders en insiders worden gewezen op hun falen want hoe hebben zij het laten gebeuren dat er outsiders bestaan.

Paulus komt er niet aan toe. Maar hij is er wel naar op weg. Hij heeft de goddelijke grootsheid benoemd en is op weg – mentaal -  van de alomtegenwoordige voelbaarheid, naar de concrete geleefde werkelijkheid van Jezus van Nazareth en de directe gevolgen die dat heeft voor jou en mij. Het was dat de wijsgeren er wel lekker comfortabel bij zaten op die berg, verheven boven het gewone leven. Dus ze lachten liever om de gekke concreetheid en lieten Paulus afdalen om zelf nog even verder te dammen over wat het wezen van de godheid al dan niet zou kunnen zijn.

Beneden veranderde het leven. Boven werden ze overbodig. Daar was God niet. Hij hing rond in de straten en op de pleinen, in de schaduwen en in harten van mensen die verlangden dat het anders zou zijn in de wereld dan het nu was, die oordeel en bekering wel terecht vonden – want zo kon het toch niet langer. Hun beweging veranderde het aanzien van de wereld en nu is de Areapogus een prachtige toeristische trekpleister, net als de heidense tempels, oh en net als veel kerken. Statische overblijfsels van een cultuur.

Daar is het niet, het is niet ver. Hij is te vinden in het leven, het bewegen en het zijn.

Hier vind je drie tekstgedeelten die Rikko vanochtend las.