'Wetenschap gaat voorbij aan het feit dat het moeite kost om te geloven'

Neurowetenschapper, psycholoog en ex-gelovige Michiel van Elk verbaast zich over de manier waarop de wetenschap met religie omgaat. 'De wetenschap gaat voorbij aan de essentie van wat het écht is om gelovig te zijn. Geloven kost moeite.'

'Wetenschap gaat voorbij aan het feit dat het moeite kost om te geloven'

Een vrouw met de naam ‘Mary’ is een briljant onderzoekster. Maar om de een of andere reden zit ze al haar hele leven opgesloten in een kamer waarin alles zwart-wit gekleurd is. Ze is gespecialiseerd in de neurowetenschap van kleurwaarneming. Door haar onderzoek kan ze precies uitleggen wat er gebeurt in ons brein als we een regenboog zien en als we woorden zoals ‘rood’ en ‘blauw’ gebruiken. Maar zelf heeft ze nog nooit kleur gezien. Wat zou er nu gebeuren als Mary bevrijd wordt uit haar zwart-wit kamer? Zou ze iets nieuws leren over wat het is om kleuren te zien?

Misschien ben je dit bekende gedachtenexperiment weleens eerder tegengekomen. Het roept de vraag op óf en hoe we bewuste subjectieve ervaringen kunnen reduceren tot hersenactiviteit. We kunnen ons dezelfde vraag stellen over geloof in God. Stel dat een wetenschapper precies kan uitleggen welke hersengebieden actief zijn als iemand in God gelooft of aan het bidden is. Weet hij dan alles wat er over godsgeloof te zeggen valt, of zou een persoonlijke godservaring toch nog iets aan de kennis van de wetenschapper toevoegen?

Kleurenblind geworden

Als ik kijk naar veel psychologen of neurowetenschappers die zich bezighouden met religie, dan krijg ik vaak de indruk dat zij hun onderwerp benaderen als Mary. Zij bestuderen religie vanuit een derde-persoons perspectief. Alsof ze door een telescoop kijken. Religie wordt geabstraheerd en ontleed. En de neurowetenschap kan aanwijzen wat er in het brein gebeurt als iemand denkt aan God of bidt.

Zelf ben ik ex-gelovige, maar dus wel degelijk ervaringsdeskundige. Een soort Mary die het licht heeft gezien, maar kleurenblind is geworden. Gek genoeg waren het ooit juist de psychologie en de neurowetenschap die mij van mijn geloof deden vallen. De godsdienstpsychologie had religie weg verklaard: God is slechts een projectie, gebedsgenezing en wonderen bestaan niet en ons geloof in een onstoffelijke ziel is het product van de manier waarop ons brein is geëvolueerd.

Geloven kost moeite

Nu – meer dan tien jaar later - constateer ik dat veel (neuro)wetenschappelijk onderzoek naar religie, voorbijgaat aan de essentie van wat het écht is om gelovig te zijn. Omdat geloven moeite kost. Zeker in een geseculariseerde wereld, waarin het allang niet meer vanzelfsprekend is om te geloven. Gelovigen moeten alle zeilen bijzetten om hun geloof niet te verliezen. Door op zoek te gaan naar persoonlijke godservaringen, door filosofische godsbewijzen te overdenken, door een godshuis te bezoeken.

Dit staat in schril contrast met de wijdverspreide wetenschappelijke visie dat geloof ons letterlijk in de genen zit en dat religie waarschijnlijk een evolutionaire aanpassing was. Het geloof in een straffende God zou ontstaan zijn als een manier om grotere groepen mensen samen te laten werken. Op die manier worden ‘freeriders’ buiten de deur gehouden. God wordt voorgesteld als een soort premoderne beveiligingscamera die in de lucht hangt en ons voortdurend in de gaten houdt.

Geloof in God biedt steun

Bij het lezen van dit soort theorieën bekruipt me heel vaak een ‘ver-van-mijn-bed’ gevoel. Ik vermoed dat niet veel gelovigen zich vandaag de dag kunnen vinden in het beeld van God als kampbewaker. Geloof in God biedt steun, betekenis, vertrouwen, hoop. Zo was het tenminste in mijn ervaring. In de evangelische gemeente waarin ik opgroeide stond een positief godsbeeld centraal: een vaderfiguur die er altijd voor je was en bij wie je voor al je sores terecht kon. Ieder mens heeft een diepe behoefte aan hechting en geborgenheid. En in de evangelische theologie is God de perfecte onzichtbare liefdespartner die altijd voor je klaarstaat.

Ik voel ook nog steeds de aantrekkingskracht van dat geloof. Luister af en toe nog wel eens naar de hoopvolle teksten van praise & worship-liederen. Op het moment dat ik dit schrijf – in een koffiebar/ platenwinkel in de VS heb ik net een plaat van Keith Green op de kop getikt met daarop ‘The Prodigal Son Suite’ – een stuk over de verloren zoon dat me altijd erg heeft geraakt. Dat kan toch geen toeval zijn?

Wetenschapper die recht doet aan geloven

Een paar jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met het werk van Tanya Luhrmann. Zij werkt als antropologe op Stanford University en deed onderzoek naar gelovigen in Evangelische gemeenten in de VS. Bij het lezen van haar boeken had ik voor het eerst het gevoel: hier spreekt een wetenschapster die werkelijk recht doet aan wat het is om te geloven. Zij laat zien dat je om te kunnen geloven een bepaald ‘talent’ nodig hebt. Dat het moeite kost en veel oefening vereist om het vol te houden. Dat sommigen Gods stem verstaan maar dat dit lang niet iedereen gegeven is.

Tijdens een sabbatical op Stanford werkte ik met haar en andere antropologen samen die onderzoek deden naar religieuze ervaringen. Daarbij viel me vooral hun nieuwsgierige, respectvolle en open houding op: als je religie wilt begrijpen moet je bij voorbaat niets uitsluiten en je eigen vooronderstellingen durven loslaten. En misschien kon zij wel zo kristalhelder uitleggen wat het is om te geloven, omdat zij zichzelf jarenlang heeft ondergedompeld in gebedsgroepen, kerkdiensten en gavencursussen. Een Mary die uit haar kelder is gekomen om met eigen ogen te zien wat voor kleur de échte wereld nu heeft.

Michiel is ook te zien in onze tweede aflevering van Tegen beter weten in? God in je hersenen. De video en gespreksvragen vind je hier