Een normaal gesprek over homoseksualiteit in de kerk? Dat kan best, bewijzen deze schrijver en evangelische voorganger

Het gesprek over homoseksualiteit in de kerk wordt soms genadeloos gevoerd. Toch kan het ook anders: schrijver John Lapré en evangelisch voorganger Wieger Sikkema laten dat zien in het boek ‘Van hart tot hart’. Lees hier een fragment uit een van de briefwisselingen die in het boek staan.

Een normaal gesprek over homoseksualiteit in de kerk? Dat kan best, bewijzen deze schrijver en evangelische voorganger

Beste Wieger,  

(…) Onder evangelische christenen hoor ik regelmatig dat God man en vrouw heeft geschapen en niet Adam en Evert of Eva en Ada. Ik proef daarin het pleidooi om de emotionele en fysieke verbinding tussen een man en een vrouw als het ideaal te zien. Alles wat daarvan afwijkt, zou afwijken van Gods oorspronkelijke bedoeling en daarmee een ‘gebroken constructie’ bevatten. De vraag is of de Bijbel voldoende aanleiding geeft om dat zo te stellen.

De eerste hoofdstukken van Genesis opnieuw lezend, ben ik diep geroerd door Gods wonderlijke scheppingskracht. In het allereerste begin is er alleen ha­-adam, het aardwezen dat is gemaakt van het stof van de aarde (adama). Ha­-adam is geen man en ook geen vrouw, maar een mens-wezen. Moeilijk voor te stellen eigenlijk. We kunnen haast niet anders denken dan in het plaatje van een ‘mannetje’ of ‘vrouwtje’.

Maar goed, laten we ons best doen. Het mens-wezen is een levende ziel en God moet hebben gezien dat het mens-wezen behoefte heeft aan verbinding, want Hij zegt: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is; ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.’ (Genesis 2:18) Wat doet God dan? Hij vormt dieren en het aardwezen mag ze allemaal een naam geven. En dan staat er: ‘maar hij vond geen helper die bij hem paste’. Ha­-adam treft geen partner tussen de dieren aan. Maar God gaat verder. Uit de slapende mens neemt God een rib en Hij schept isja. God schept een medemens. Geweldig wat de mens dan uitroept: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees.’ (Genesis 2:23)

Persoonlijk geloof ik dat het echt belangrijk is om daar wat langer bij stil te staan. Het is de méns die dat uitroept, niet God die zegt: ‘Hier heb je een gelijke, je eigen gebeente, je eigen vlees.’ De méns kiest voor de medemens. Ik lees daarin een vrije keus. Tussen de dieren zat geen geschikte partner, maar ha­-adam ziet de medemens helemaal zitten. De mens is zo geraakt door het zien van een medemenselijke verschijning, dat hij dáármee verder wil.
Dit accent is in mijn ogen belangrijk om goed in het vizier te houden. Pas ná het geraakt zijn van de mens door de medemens, ontstaat er focus op gender, als ha-­adam zegt: ‘een die zal heten: vrouw (isja), een uit een man (isj) gebouwd.’

Wat als we in de kerk de ‘volgordelijkheid’ in de schepping aanhouden? Te snel zijn we – als ik het goed zie – geneigd om te denken in termen van seksualiteit (de man die in de vrouw past). Zou het niet mooi zijn als we eens een stap terug doen en de ander royaal de kans geven om uit vrije wil een helper te vinden die bij hem of haar past? Zijn we in de kerk niet zo geconditioneerd dat het haast onmogelijk is om daar uitgebreid bij stil te staan en pas na een lange adempauze weer te gaan praten? Dan zijn we niet zozeer bezig met de vraag of een man bij een vrouw hoort en of dát Gods oorspronkelijke bedoeling zou zijn, maar met de vraag hoe in de veelkleurigheid van de schepping mensen medemensen mogen vinden om samen het leven te delen.

Het is denk ik goed om deze vraag – met alles wat in ons is – te overdenken. Het kan nieuw licht werpen op ons denken over relaties en over wat in dat kader al dan niet geoorloofd is. Het kan ook het kerkelijke debat over omgaan met niet-heteroseksualiteit een juiste richting geven, in ieder geval zodanig dat niet alle ‘standaardvragen’ (zoals de vraag of we homoseksueel worden geboren of niet) op het puntje van de tong blijven branden.

Dat ik in Lionel een helper in mijn leven heb gevonden, is voor mij iets heel wonderlijks. Ik zie er de hand van God in dat Hij onze wegen zó geleid heeft dat zij elkaar zijn gaan kruisen. We zijn nu samen. En zeker niet zonder vragen. Zo kan uit ons samenzijn geen nieuw leven ontstaan. Dat is een kruis dat ook heterokoppels kunnen ervaren, alle alternatieven ten spijt. Zowel Lionel en ik zien daarin gebrokenheid.
Maar het samenzijn is zoveel meer dan het kunnen krijgen van kinderen, oneindig veel meer. Soms word ik overmand door emotie bij de gedachte dat het samenleven met je helper zo groots en meeslepend is in de ogen van de Allerhoogste dat alle gebrokenheid (die in elke relatie ervaren wordt) verbleekt bij de wetenschap dat God mensen samenvoegt.

Natuurlijk ben ik erg benieuwd hoe je hier tegenaan kijkt. Ik kan je geen sluitend antwoord geven op de vraag of God mij als homo zo gemaakt heeft of dat ik het product ben van een gebroken schepping. Ik vind het antwoord ook niet zo interessant, eerlijk gezegd. Ik voel tot in al mijn vezels dat God niet alleen een doel met mijn homo-zijn heeft, maar ook een bedoeling met hoe ik gevormd ben (bij de geboorte of in combinatie met allerlei factoren daarna).

Ik zal je eerlijk zeggen dat ik weleens met de vuisten omhoog heb gestaan en tegen God heb gezegd: ‘Waarom ben ik nou zó?! Waarom kan ik niet ‘gewoon’ met een vrouw trouwen? Waarom al die ellende nadat ik uit de kast kwam?’ En dan fluistert er diep vanbinnen een stem: ‘Lieve John, zó heb ik jou gewild. Je bent mijn geliefde zoon.’ Al snel realiseer ik me dan dat het vooral maatschappelijke en kerkelijke onveiligheid is, die me de vuisten omhoog doet steken.

En dan denk ik ook aan mijn vader, die eens tegen me zei: ‘John, het is jouw taak Lionel trouw te blijven tot de dood jullie scheidt, zoals ik mama trouw zal blijven tot de dood.’ Papa heeft het waar gemaakt. En dat wil ik ook.

Hartelijke groet en zegen,

John

 

Beste John,

(…) Toen ik naar aanleiding van je brief het scheppingsverhaal met jouw overwegingen in mijn hoofd nog eens las, raakte het me dieper dan eerder dat God zegt dat het niet goed is dat de mens alleen is. De kerk heeft dat vaak opgelegd aan homoseksuele broers en zussen. Daar zit een tegenstelling in. Zeker als Paulus later duidelijk maakt dat ongehuwd zijn iets is dat je gegeven moet zijn, een gave van de heilige Geest.

Dat werpt inderdaad een heel ander licht op relaties en geeft ook een ander vertrekpunt. Want waar is dan de grond om een ander te zeggen dat hij of zij zonder die diepste en meest intieme relatie, die zoveel meer behelst dan alleen het seksuele, door het leven moet? Ligt het antwoord op die vraag niet op het vlak van ieders persoonlijke verantwoordelijkheid? En gaat het er dan niet om dat we elkaar mogen helpen om vanuit onze relatie met Jezus tot een heel persoonlijk antwoord te komen? Zou onze taak over en weer dan niet zijn om elkaar scherp te houden en te bevragen op die verbinding met Hem in plaats van elkaar te overtuigen van ons standpunt? Wat een ruimte en vrijheid van geweten zou dat aan ons allemaal geven. Vrijheid die zo duur betaald is.

‘Zo kennen we vanaf nu niemand naar het vlees ...’ (2 Korinthe 5: 16, HSV). Of ‘volgens de maatstaven van deze wereld’, zoals het in de NBV staat. Daar gaat het gesprek vaak mank. Op een of andere manier blijven we ermee bezig om die oude mens zelf te repareren, op te pimpen of te dwingen te leven zoals wij denken dat het moet en vergeten we het leven van Jezus in ons ruimte te geven. Dat is de maatschappelijke en kerkelijke onveiligheid waarover je spreekt en die je vertelt: ‘Jij bent anders, jij bent raar, jij deugt niet, God kan niet van je houden, jij moet anders worden, jij mag niet ...’ We mogen elkaar kennen naar de Geest, de Geest van Jezus, en op dat niveau elkaar aanvaarden, verdragen en liefhebben, zelfs als het ‘kraakt en schuurt’.

Ik ben het dus helemaal met je eens dat het uiteindelijk niet zo belangrijk is of homoseksualiteit gebrokenheid is of niet. Waar het om gaat is elkaar te zien in Christus. De nieuwe mens te zien die God in jou en mij geschapen heeft en elkaar in dat nieuwe te ontmoeten, te bevragen, op te scherpen, te steunen en vooral lief te hebben.

Je vader heeft zijn belofte van trouw aan je moeder waargemaakt. Dat gun ik mijzelf met Marja, maar dat gun ik ook jou en Lionel zo. Misschien gun ik het jullie wel meer dan mezelf dat jullie je belofte van trouw aan elkaar waar zullen maken. In elk geval hoop ik heel erg dat jullie samen een bijna profetisch standbeeld mogen zijn van liefde en trouw tussen twee mensen van hetzelfde geslacht. Zodat de kerk ziet dat het kan: van Jezus houden én trouw zijn aan een partner van hetzelfde geslacht. Ik ben er graag getuige van!

Zegen,

Wieger


Op welke toon en met welk doel wordt het gesprek over homoseksualiteit in de kerk gevoerd? John Lapré en Wieger Sikkema laten elkaar in het hart kijken door middel van een briefwisseling. Daarbij nodigen ze anderen uit om te reageren. John Lapré, inmiddels landelijk bekend door zijn boek De veilige kerk en door spreekbeurten en interviews over hoe gelovigen met seksuele diversiteit om (kunnen) gaan, beantwoordde een brief van evangelisch voorganger Wieger Sikkema en van het een kwam het ander. De vraag 'of er in de briefwisseling een boek zou zitten' werd niet direct gesteld, maar de commotie rond de Nashvilleverklaring zorgde voor een momentum. Dit boek moest er komen. Met ruimte voor lezers om (samen) te reflecteren op wat er door deze mannen wordt geschreven.

Van hart tot hart, een open uitnodiging voor het gesprek over homoseksualiteit | John Lapré, Wieger Sikkema | Ark Media | € 12,99

Meer info vind je hier.


Kijk hier de uitzending van De kast, de kerk en het koninkrijk, waarin ook John zijn verhaal vertelt.

Foto boven: Tyler Nix via Unsplash