Kanker & moeder – Kankerdemonen op bezoek

Marleen is dominee en heeft een heel heftige tijd achter de rug: haar vader overlijdt aan kanker, bij haar wordt een kwaadaardige tumor ontdekt én ze is zwanger. Ze bevalt van een gezonde zoon, maar krijgt dan de kankerdemonen op bezoek…

Kanker & moeder – Kankerdemonen op bezoek

Na een lang weekend wordt op een vroege maandagochtend onze zoon geboren.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit eerder zo euforisch ben geweest. Apetrots, doodmoe en bijzonder emotioneel. Ik legde nog even heel stoer aan de dokter uit dat bevallen zonder pijnstilling voor mij nogal een halszaak is. Ik wilde aan mezelf bewijzen dat ik ‘nog’ gezond ben. Ik wil dolgraag aan haar uitleggen dat mijn lichaam niet faalt als het erop aankomt en dat ik tóch nog sterk ben.

Op haar beurt vertelt ze mij heel stoer dat ze bijna nooit klachten over haar hechtingen krijgt. Twee stoere vrouwen in een verloskamer. Het leven tevoorschijn krijgen vraagt om moedige vrouwen die niet bang zijn voor pijn.

Ik mag hem dit niet aandoen

Maar in de loop van de weken, met mijn kleine jongetje in mijn armen, begint mijn stoerheid steeds zachter te worden. Ik word week. Het is niet alleen de vertedering die ik voel. Alle stemmen die ik probeerde weg te duwen toen zoonlief nog veilig in mijn buik verbleef, doen ineens mee. Het wordt steeds donkerder aan de horizon. Ik merk dat ik eigenlijk niet meer durf. Ik durf zijn moeder niet te zijn. Ik mag hem dit toch niet aan doen? Een moeder met kanker al vóór hij geboren was.

Ik ga vast dood. Let maar op. Dit kan nooit goed gaan. Over kanker heb ik maar één ding geleerd: één keer kanker is altijd kanker. Misschien heb je een tijdje mazzel, maar voor altijd genezen? Zoveel genade zit er vast niet in.

De afspraak voor de eerstvolgende controle brandt in mijn agenda. De kans is klein, maar de statistieken troosten me niet.

Steeds vaker huil ik in de nacht tot ik geen tranen meer heb. Alleen, want het lijkt me wel handig als er tenminste één ouder een beetje uitgerust is. Alleen, want ik wil mezelf niemand aandoen.

Een rem op mijn hart

In de nacht komen mijn kankerdemonen me gezelschap houden. Ze spoken om me heen en ik ben bang. Wat als ik nu toch wél een uitzaaiing heb? Dan sterf ik voor mijn kind mij zich ooit zal kunnen herinneren. Misschien moet ik maar vast beginnen met mezelf niet al te veel hechten. Ik merk dat ik een rem zet op mijn hart. Daar voel ik me vervolgens schuldig over. Heb ik al kanker, ben ik ook nog een slechte moeder. Ik zucht. Ik ben moe en in mij spookt de somberheid.

Misschien wel het grootste taboe van de kraamvrouw. Toegeven hoe ongelukkig je bent. Tegenover jezelf en je omgeving eerlijk zijn over je angsten en je spoken. Over hoe de grijze wolk eruitziet in plaats van de roze wolk. 

Het kwartje valt op de dag dat zoon gedoopt wordt. Ik voel er niets bij. Geen spatje hoop of geloof in mijn ziel te bekennen. Ooit leerde ik dat depressie zoiets is als het ontbreken van geloof, hoop en liefde. En ik weet dat rouw kan voelen als een depressie. Op de dag dat mijn zoon gedoopt wordt weet ik het: in mijn ziel woont slechts rouw. Het verlies van gezondheid, het verlies van mijn vader, afscheid van de kerk en de stad waarin ik me vertrouwd voel. De stapel verdriet duwt alles wat roze is aan de kant.

God is een vreemde

Niemand heeft me ooit uitgelegd hoe rouwen in Godsnaam moet samengaan met het baren van een kind. God vervreemdt van me. De Schepper van het leven ervaar ik als een raadsel. Misschien heeft God me verlaten en anders is het wel tijd dat ik God verlaat. Het idee dat ik op een dag weer een kansel op moet, schuif ik ver voor me uit.

Met het laatste restje moed dat ik heb, sleep ik mezelf naar de gynaecoloog en geef toe dat het niet zo goed met me gaat. Ik sta te huilen op het consultatiebureau om de borstvoeding te stoppen. Iedereen vindt het heel begrijpelijk. Maar ik tel slechts mijn verliezen. En vink er weer eentje af.

Mijn baby lacht, maar ik niet.

Foto: Jordan Whitt via Unsplash