Kankervrij & moeder – ‘In mijn gevoel door God verlaten te zijn ben ik in goed gezelschap’

Marleen is kankervrij, staat weer op de preekstoel en haar zoon wordt 1 jaar. Maar haar alarmsysteem staat nog op rood en de dagen voor de controles zijn ondraaglijk. In haar lijdensweg vond ze geen vrome antwoorden. Maar in haar littekens zitten richtingaanwijzers naar God.

Kankervrij & moeder – ‘In mijn gevoel door God verlaten te zijn ben ik in goed gezelschap’

Het eerste jaar na de geboorte van mijn zoon is voorbij. Ik knutsel walvissen van papier waarin een doosje rozijntjes verstopt zit. Ik knutsel vishengels van soepstengels. Hiep, hiep, hoera voor Pinterest. Ik ben dus tóch zo’n moeder die nét iets te veel haar best doet voor een kindertraktatie. Ik grinnik om mezelf en bedenk me dat ik eindelijk uit de overlevingsstand ben.  

Hoewel het best goed gaat, overvalt me toch makkelijk een gevoel van weemoed en eenzaamheid. Ik ben langs het kankernoodlot gelopen, maar het zwaard van Damocles viel niet op mij. Ik ben langs de vallei van een postnatale depressie gewandeld en ik ben er net niet in gevallen. Heb ik dan nu geluk gehad?

Ik ben bang

Ik heb geprobeerd in geluk te geloven. Met van die typische gelukszinnetjes. ‘Ik heb écht mazzel gehad’. ‘Kijk, ik heb een prachtig kind!’ ‘Het is maar een teen.’ ‘Ik heb geen uitzaaiingen, hè?’ Maar elke keer als ik die zinnen gebruik voelt het toch als een leugen. Meestal om mijn bestwil. Omdat ik niet wil toegeven hoe bang ik kan zijn.

De werkelijkheid is dat je met kanker nooit mazzel hebt. Kanker snijdt in je argeloosheid en eet je onbezorgdheid op. Ze jaagt je de stuipen op het lijf. Mijn alarmsysteem staat nog altijd op rood.

De dagen voor de controles zijn onverdraaglijk. Ik ben dan alleen maar bang om alsnog dood te gaan. De ware kanker-ellende wacht ongetwijfeld ook op mij. Ik zie mezelf in kuren die niet aanslaan en hoor alvast woorden als ‘uitbehandeld’ en ‘palliatief’. ‘Wel een leuke vrouw zoeken als ik dood ben, hè. Eentje die ietsje minder zeurt dan ik, maar wel minder grappig is’, zeg ik tegen mijn geliefde. 

Tegelijk geboren als moeder en kankerpatiënt

Zoon is simpelweg te klein om deze gedachtes onder controle te kunnen houden. Ze gaan met me op de loop. Dus ga ik naar de huisarts met kortademigheid. Ik wéét dat het onschuldig is, maar ik ben toch bang dat het een uitzaaiing is. Ik loop nerveus een sportschool in, in een poging weer te kunnen sporten. Maar ik barst in tranen uit bij het zien al die zwangere vrouwen in hun sportkleren. Ik sleep me huilend naar feestjes, omdat ik al zo lang geen antwoord meer weet te geven op vraag hoe het met me gaat. Heel gewone dingen kunnen ineens zeer doen.  

Ik ben tegelijk geboren als moeder én als kankerpatiënt. Die twee verdragen elkaar niet en toch gebeurt het. Het gebeurde mij en ik ben niet de enige. Misschien is het bij jou geen kanker maar herken je wel de ondraaglijkheid van wat je overkomt. De klappen van het leven – je krijgt ze er gratis bij. Wat niet zou mogen gebeurt tóch. Wat je niemand toewenst, gebeurde jou toch.

Leven komt met verlies. Liefhebben komt met rouw. Ik vind dat ingewikkeld en onrechtvaardig. Dat kruis moeten dragen waar je helemaal niet om hebt gevraagd. Het verlies waar je het zomaar mee te doen krijgt.

'Gods agenda om mij in de kerk te zetten heeft gewerkt.'

Geen vroom antwoord

Op al mijn boosheid en vragen heb ik geen vroom antwoord. Ik wilde niet bidden, laat staan preken. Eigenlijk vond ik dat ik degene was aan wie het evangelie verkondigd moest worden. Ik wilde dat iemand mij de ruimte gaf om onverschillig te worden tegenover God. Dit leek mij daarvoor het uitgelezen moment. En dan rustig via de achterbanken van de kerk God vaarwel zeggen.

Maar die ruimte krijgen dominees niet. De Jona in mij bleek namelijk allang in Ninevé te zijn. Geen idee waar ik de boot naar Tarsus heb gemist. Maar Gods agenda om mij in de kerk te zetten heeft gewerkt. Precies zoals een wijze collega voorspelde: Gewoon gaan preken, rustig je Bijbel lezen, dat geloof komt vanzelf wel weer.

De vroomheid heeft gefaald

Ik ging sputterend de kansel op tot ik een preek moest schrijven over de verzoeking in de woestijn. Het lijkt erop dat ik in mijn gevoel door God verlaten te zijn in goed gezelschap ben. Ik heb de engelen uit Psalm 91 gemist. Ik heb mijn voet gestoten aan een nogal pijnlijke kanker. En toch wil ik de kankerdemonen geen gelijk geven als ze me influisteren dat God er niet is. Het is een duivelse gedachte dat God pas de moeite waard is als Hij alleen maar een sleutel mag zijn tot een pijnvrij bestaan.

Het is precies andersom. Misschien ben ik nog nooit zo dichtbij Jezus geweest als in die nachten dat ik me afvroeg of God me was vergeten. Begrijp me niet verkeerd. Het zijn niet de voetstappen van God in het zand als monument van troost. Dat is de precies de vroomheid die heeft gefaald. Als ik omkijk, voel ik pijn. Bij de meeste stappen die ik zet, voel ik de littekens van de kanker.

Maar ik heb in mijn littekens een richtingaanwijzer naar God gevonden. Een God die opstandig wordt van al die ondraaglijkheid van onze verliezen. Een God die zelf bang is geweest en alleen. Een God die zo graag wil dat het leven anders is. De God die zelf een kruis op zich neemt als een teken van verzet.

Dat kruis dragen waar je niet om vraagt? Ik geloof weer dat Jezus precies weet hoe dat voelt.

Dat helpt. Net zoals het écht helpt als iemand bij je blijft als je bang bent om dood te gaan. Net zoals het écht helpt als iemand bij je is en niet al te veel zegt als je verdriet hebt. Christus blijkt onverwacht goed gezelschap als je lijdt. 


Naschrift:

Op het geboortekaartje schreven we: God geeft ons hoop. God geeft ons Joep.

Het blijkt waar. Ik sta weer op beide benen. Ik frommel mijn Bijbel in mijn tas en sjees door het dorp om mensen te bezoeken. Ik sta weer op kansels. Ik geniet van ons kind dat me meer dan wie dan ook heeft getroost. De kanker zakt naar de achtergrond en de rouw trekt op. Ik ben brozer dan ik dacht. Maar niet zonder hoop dat het leven écht goed kan zijn voor Joep.