Lazarus staat op | Een zwervende Arameeër was mijn vader

Rikko geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag te lezen en te beluisteren.

Lazarus staat op | Een zwervende Arameeër was mijn vader

PopUpGedachte vrijdag 16 augustus 2019 – ‘Een zwervende Arameeër was mijn vader’

De zon komt net op. Achter mij fluiten vogels. Zojuist kraaide er twee keer een haan. Ik weet niet of dat de voorbode is van Petrus-achtige ontkenningen van het heilige of dat het gewoon ochtend is en de haan probeert een festivalpubliek wakker te kukeleku-en, wat tevergeefs zal zijn voorlopig. Op zeven mensen na.

Het is de eerste keer in de geschiedenis van de PopUpGedachtes dat er zeven mensen aan het begin staan van een overweging als deze. Het is zes uur in de ochtend, de locatie is Graceland Festival in Vierhouten. Gisternacht ging het hier tot laat door. En hier op een heuvel half boven het terrein, met een lichtende lucht die een voorbode is van een stralende dag, wordt PopUpGedachte 721 geboren. Een overweging die voortkomt uit de behoefte om de dag bewust te beginnen. Tussen zes en zeven elke werkdag, een uur waarop er nog geen mails beantwoord hoeven worden, niemand iets vraagt of van je wil en je zelfstandig aan de reis van deze dag kunt beginnen op een eigen manier, met een eigen focus, alleen. Zoals je altijd ten diepste zult zijn. Tenminste, dat denk ik. Alleen. Met je eigen keuzes, verantwoordelijkheid, fascinatie en weg om te gaan.

‘Een zwervende Arameeër is mijn vader’ is een oude Joodse belijdenis van ver voor onze jaartelling. Een oud volk dat geloofde dat hun weg in het leven eentje van zwerven was. En zwerven betekent dat je niet thuis bent. Dat je ergens bent vertrokken vanwaar het veilig was. Dat het verwachte plaats heeft gemaakt voor het onverwachte. En je niet weet of er vanavond een plek zal zijn om te rusten, of degenen die je onderweg ontmoet je gunstig gezind zullen zijn of niet en of er te eten is. Het lijkt erop dat de joods-christelijke traditie die zo goedgemutst en soms verbeten in wordt gezet door nationalisten om bezit te verdedigen en thuis en oikos, juist het levensgevoel van de bezitloze, de zwerver en de vluchteling kent. Niet eens de gastheer, de gastvrije, de verwelkomende. Maar degene die verwelkomd wordt en maar moet afwachten hoe dat eruit ziet.

Dit was de lezing vanochtend uit een van de oudste boeken van het jodendom: “Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen, steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen, wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten.“

Dit zouden de brallerige zinnen kunnen zijn van de veroveraar. We zullen een land veroveren dat we niet hebben opgebouwd, andersmans wijngaarden en olijfbomen leegvreten en ons wentelen in de luxe van een ander. En mijn God, wat heeft dit de geschiedenis van de mensheid vaak bepaald. De veroveraar die geschiedenis schrijft, die koloniseert, die terroriseert en de blijkbaar zwakkere ander uit zijn huis op de Westbank, in Aleppo of – ja, ook – in Amsterdam jaagt om vervolgens plek en buurt in te nemen en er goed van te leven.

Als reactie daarop zijn we gaan wonen. Keurige grenzen gaan afbakenen. Machtsevenwichten gaan creëren en hopen we dat iedereen gewoon op zijn eigen plekje blijft. Toch? Mijn huis, mijn gezin, mijn circle of influence. Doe maar gewoon calvinistisch je best op je eigen plekje, dan komt het wel goed.

Maar dat is niet het levensgevoel van deze tekst vanochtend. Het vraagt je niet om op je plek te blijven. Om iets op te bouwen. Om aan de toekomst te denken. Om te leven van het werk van je eigen handen. Wat de reiziger en de zwerver mij kan leren is dat ik altijd leef van de ander. Van wat ik toevallig tegenkom en wat me gegeven wordt. En dan niet als veroveraar, maar als gast te wonen op de plek die me gegeven wordt voor zolang die me gegeven wordt, te eten wat me wordt gegeven zolang me dat wordt gegeven en weer verder te reizen. Zelf. Zodra dat aan de orde is.

Het is een jaar of drie geleden dat ik met een coach over de hei liep. Coaches hebben was toen helemaal het ding en dan doe je als net beginnende dominee mee. En op de hei, letterlijk. Intense gesprekken, snotterende huilbuien als er weer eens een oude pijn was aangeraakt door de professionele ziel-onderzoeker naast mij en dan zijn vraag aan mij: ‘Wat wil je ten diepste.’ En ik zei -het kwam uit mijn tenen-: 'Ik wil dat mensen mij begrijpen.’ Waarop hij stilstond, me aankeek en zei: ‘Niemand gaat jou ooit helemaal begrijpen. Uiteindelijk ben jij helemaal alleen.’ Toen liep hij weg. En daar stond ik. Ik ging maar op een omgevallen boomstam zitten, langzamerhand daalde het besef in dat hij gelijk had. En zag een lichtpuntje. In mijn verlangen om begrepen te worden was elk onbegrip een probleem. Bij het besef dat niemand je kan begrijpen – hè, ik begrijp ik mezelf niet – is elk begrip een toevallige meevaller. Zoals een gastvrije ontvangst kan zijn onderweg, eten, een plek om te rusten.

Dat joodse volk heeft leren reizen van een godheid die belooft dat hij altijd ergens langs de route opduikt en er genoeg is. In het vluchtelingendebat zijn we geen grensbewakers of gastheren en vrouwen, maar de gast zelf. En vandaag? Ik ben benieuwd wie en wat ik ontmoet op deze reis. Hij is in elk geval goed begonnen op deze heuvel, met zeven individuen wiens gedachten ik niet kan raden. En die met mij op dezelfde manier aan deze dag beginnen.

Een goede reis maar weer. En tot morgen.

Hier vind je drie tekstgedeelten die Rikko vanochtend las.