Minder ik, meer wij - wat Afrikaanse filosofie ons leert over depressie

Depressie is volksziekte nummer 1 aan het worden. Annemarie maakte het in haar directe omgeving mee en worstelde om het een plek te geven. Tot ze een interview las met een Afrikaanse filosoof.

Minder ik, meer wij - wat Afrikaanse filosofie ons leert over depressie

De rol van culturen is iets intrigerends. Vandaar dat ik ook antropologie heb gestudeerd. Met extra veel belangstelling las ik dan ook een interview met de Kameroense filosoof Pius Mosima in Trouw.

Het gesprek ging over depressie. Volgens hem kan het Westen veel leren van de Afrikaanse filosofie in het bestrijden van wat wel volksziekte nummer 1 in Nederland wordt genoemd. In het gesprek vertelde hij dat depressie, zoals wij dat in het Westen kennen, niet voorkomt in Afrika. Niet dat de symptomen niet voorkomen; mensen in Afrika kunnen zich ook neerslachtig voelen en zich afzonderen. Maar een belangrijk verschil tussen de Westerse kijk op depressie en de Afrikaanse zit ’m in de benadering, volgens Mosima.

Depressie: persoonlijk of gemeenschappelijk probleem?

Hij zegt: ’In de Afrikaanse filosofie ben je altijd onderdeel van een groter geheel, van een gemeenschap. Als je je daarvan afzondert of daartegen keert, dan ontstaan symptomen van een depressie.
In de Westerse samenleving ligt juist een sterke focus op het individuele. Het gaat vaak over persoonlijke doelen behalen, succesvol zijn, iets bereiken als persoon; dat maakt je tot wie je bent. Het ‘ik’ neemt dus een hele prominente plek in binnen het Westerse denken.’ Met andere woorden: waar depressie in het Westen een persoonlijke aangelegenheid is, is dat in een Afrikaanse setting een probleem van de gemeenschap.

Tranen over mijn wangen

Door het interview denk ik terug aan een ontmoeting die ik jaren geleden had toen ik voor mijn werk ontwikkelingslanden bezocht. Ik was op bezoek in een Keniaanse sloppenwijk, waar ik met vrouwen sprak die besmet zijn met het aidsvirus. Ik zag hoe de ziekte de vrouwen letterlijk en figuurlijk uitholde. Hun lichamen slap, dun en weerloos, de ogen leeg en moedeloos.
Tijdens een interview met een van deze vrouwen werd het me even teveel. Het voelde ineens zo ongepast om daar te zitten met mijn kladblok en een vrouw in haar zichtbare misère te bestoken met persoonlijke vragen… Ik probeerde me te herpakken, maar voor ik het wist, rolden de tranen over mijn wangen. Ik keek de vrouw aan, pakte haar hand en zo zaten we daar in stilte.

‘Het is een luxe-probleem’

Toen ik een uurtje later in de auto zat met de Keniaanse projectleidster, een kordate dame van middelbare leeftijd, keek ze me verwonderd en een tikje verwijtend aan. Alsof ze wilde zeggen: Aan huilebalken hebben we ook niks. Maar vervolgens raakten we aan de praat over hoe mensen omgaan met tegenslagen in het leven. Ze gaf haar ongezouten commentaar op wat zij een typisch Westerse probleem vond: depressie.
Ze zei zoiets als: ‘Al die mensen in het Westen die depressief zijn. Ik begrijp er niks van. Ze hebben alles. Als je het mij vraagt, is het een luxe-probleem. De mensen hier hebben geen tijd om bezig te zijn met hoe ze zich voelen. Ze moeten overleven, ze moeten zorgen dat ze eten genoeg hebben voor hun kinderen, dat ze niet uit hun huis gezet worden door een huurbaas, en dat hun dochter niet in de prostitutie belandt.’ 

'Het laatste waar iemand met een depressie op zit te wachten, is een oordeel in de trant van ‘luxe ziekte’'

Depressie maakte mijn moeder tot een vreemde 

Ik was te verbluft om te reageren. Hoe kon iemand zo ongenuanceerd al die mensen wegzetten die met psychische problemen kampten? Had ze enig idee waar ze het over had? Of kwamen haar woorden voort uit de broodnodige hardheid om haar werk überhaupt vol te houden?

Wat ze niet kon weten, is dat ik van dichtbij had meegemaakt hoe iemand als gevolg van een depressie een ware gedaantewisseling ondergaat. Luxe-probleem?? Als kind van een psychisch zieke moeder heb ik nooit getwijfeld aan de ernst van een depressie. Depressie zorgde ervoor dat mijn moeder een vreemde voor me werd.

Door dit gesprek realiseerde ik me hoezeer je allemaal je eigen bril en referentiekader hebt. Het inspireerde me om een jaar later antropologie te gaan studeren, een studie die je helpt om je eigen vooroordelen te ontdekken en je leert om met een zekere onbevangenheid naar de wereld te kijken. Ik nam me vanaf die dag in Nairobi voor om heel voorzichtig te zijn met oordelen. Helemaal als het ging om zoiets ongrijpbaars als een depressie. Want het laatste waar iemand met een depressie op zit te wachten, is een oordeel in de trant van ‘luxe ziekte’. 

Minder ik, meer wij

Terug naar Pius Mosima. Volgens Mosima kan het Westen wat leren van de Afrikaanse filosofie, door minder de nadruk te leggen op het mentale, het denken. ‘Lichaam en geest zijn één. De methode om iemand van een depressie te genezen in het Westen bestaat uit therapie en medicijnen. Het wordt gezien als iets wat je zelf oplost, in je eentje of met je therapeut die een geheimhoudingsplicht heeft.’ Maar, zegt hij even verderop: ‘Je wordt een mens door andere mensen. Afzondering en isolatie vormen een broedplaats voor depressieve gevoelens. Daarom denk ik dat mensen in het Westen ervan zouden profiteren als het gemeenschappelijke in plaats van het individuele voorop wordt gesteld. Als de focus verplaatst wordt van individuele doelen behalen, naar zorg voor elkaar. Minder ik, meer wij.'

‘Je wordt een mens door andere mensen’ en 'minder ik, meer wij'. Het resoneert in mijn hart. Ik besef ineens dat de vrouw die ik destijds in de sloppen sprak, vooral gedeprimeerd raakte toen ze door haar ziekte verstoten werd. Het belangrijkste wat de hulporganisatie voor haar deed, was niet het verstrekken van aidsremmers, maar het bespreekbaar maken van haar ziekte, waardoor de relatie met haar familieleden hersteld werd.

En.... Heel misschien betekende het zelfs wel iets voor haar dat ik destijds even mijn professionele rol als interviewer aflegde en gewoon als mens bij haar zat.