Het woordje ‘mijn’ en waarom dat weg kan

Tom Mikkers komt in het vliegtuig - geteisterd door zijn buren en schuddend van de turbulentie - tot een verrassend inzicht. Ineens lukt het hem om met andere ogen naar zijn vervelende buurman te kijken…

Het woordje ‘mijn’ en waarom dat weg kan

Deze zomer ben ik niet op vakantie geweest. Dat was een bewuste keuze. Ik heb in die tussentijd mijn huis opgeruimd volgens het Evangelie van Marie Kondo, de opruimgoeroe die nu een serie op Netflix heeft. Ik heb mezelf intellectueel volledig ontzorgd. Tien dozen met boeken zijn naar de kringloop gegaan. Mijn hele studie heb ik uitgezwaaid. Maar er was nog een reden waarom ik het helemaal prima vond om niet weg te gaan en dat was een vliegreis die we eerder dit jaar gemaakt hadden. 

Geen droomreis

Ik ontvang elke dag een mail van Secret Escapes met droomreizen en daar was ik ingetrapt. Zo had ik toch een vakantie geboekt. Wat er nooit op de site staat is dat de vliegreis geen droomreis is. Dus: rare reistijden en rondhangen samen met al die mensen op het vliegveld die er ook ingetrapt zijn. 

Ons vliegtuig was van binnen kikkergroen. De marsen en gevulde koeken kostten het zesvoudige van de prijs in de supermarkt. Nu zat er naast mij op de terugweg een stel dat om die reden eigen nootjes had meegenomen. Ik had al vanaf het allereerste begin een strijd met mijn buurman om de armleuning. Die had ik gewonnen totdat hij wraak nam. Hij ging zijn nootjes eten. En omdat je te dicht op elkaar zat, at ik mee, in gedachten.

Pinda’s zijn een beetje vet dus om de vijf pinda’s likte mijn buurman zijn vingers af. De pistachenoten waren ongepeld en als een lama spuugde hij telkens het omhulsel terug in het zakje. Iedere keer als ik opgelucht dacht: nu zijn de nootjes op, vulde zijn vrouw het knisperende zakje weer aan met verse voorraad uit een boterhamtrommeltje. 

Mijn armleuning

Toen kwam er ook nog eens hele heftige turbulentie. Boven de Alpen. Zo’n vorm van turbulentie dat de piloot de passagiers toespreekt en de stewardessen geen marsen en gevulde koeken meer mogen verkopen. En niemand meer naar de wc mag, terwijl ik op zo’n moment direct aandrang voel. De stewardessen zitten dan op die kleine stoeltjes in de pantry en kijken aangeleerd voor zich uit alsof er niets aan de hand is. Terwijl in mij het alarm afgaat. Dit is fase één van als het niet goed gaat. 

Nu hadden mijn buren nergens last van. Naast mij werd het nootjesritueel nog altijd voltrokken. Als klap op de vuurpijl kwam toen het moment dat ik met u wil delen – toen bezette de arm van de buurman ook nog eens mijn armleuning. In het midden van de storm. 

En daar was ‘ie… Een existentiële vraag. Ik dacht, stel dat we inderdaad met deze kikkergroene draak in de Alpen ten onder gaan, dan is de laatste rimpeling in mijn leven een armleuning die ik heb verloren. Wat zou daarvan de diepere betekenis zijn? 

Alles waar we ‘mijn’ voor zetten draagt het risico van verlies in zich.

Gedoemd tot mislukken

Deze kortstondige crisis heeft wat voortschrijdend inzicht opgeleverd. Ik heb de tocht overleefd, maar het woordje ‘mijn’ niet. Voor nieuwe dingen moet je eerst ruimte maken, leerde Marie Kondo mij deze zomer. Wat heb je niet meer nodig en kan weg? 

Allemaal leren we het gebruik van het woordje ‘mijn’ als kind al aan met ons speelgoed: het is mijn speelgoed. Later in het leven herhaalt dat zich weer en weer en weer: mijn studie, mijn huis, mijn baan, mijn auto. Iets buiten onszelf versterkt zo ons zelfgevoel. 

Maar deze symbiose tussen wat buiten ons is en onze innerlijke gerichtheid, is tot mislukken gedoemd. Want alles waar we ‘mijn’ voor zetten draagt het risico van verlies in zich. Dus vroeg of laat valt een innerlijke gerichtheid met te veel uiterlijke ‘mijn dit en mijn dat’ uit elkaar. 

Ook zorgelijk is dat we met een te onbewust gebruik van dat woordje ‘mijn’ ons zelfbeeld zo kunnen laten samenvallen met iets buiten ons, dat we de waarde van het leven zelfs volledig verplaatsen van de wereld van het zijn naar de wereld van het hebben

God in je plunjezak

Het woordje ‘mijn’ dus… Daar moeten we van af. Dat is ook een beetje confronterend voor me, want nog niet zo lang geleden was ik verguld met de remonstrantse campagne waarin ik het woordje ‘mijn’ doodleuk voor het woordje God plaatste. Enerzijds vind ik dat nog altijd een geslaagde zet. Iedereen was weer wakker toen we met de zinnetjes als Mijn God laat me zelf denken of Mijn God trouwt homo’s kwamen. Anderzijds leert het verhaal van vandaag mij ook dat je met dat woordje ‘mijn’ uiteindelijk de nieuwe wereld niet bereikt. Met Mijn God in onze plunjezak, lopen we misschien zelfs het risico te verdwalen in het ongastvrije doolhof van zelfbehoud.  

Misschien is het wel een beetje te hooggegrepen ‘mijn’ los te laten. Want de mens neigt van nature naar meer, niet naar minder. We zijn geen engelen. Dat neemt niet weg dat het woord ‘mijn’ achterlaten en relativeren mijn huiswerk is voor de komende tijd. Zonder ‘mijn’ worden we liever, zijn we beter bestand tegen turbulentie, armleuningen die we verliezen… en nootjes bij de buren.