‘Naar de kerk gaan herinnert me aan mijn verlangen dat het anders kan’

Annelies is gelovig opgevoed, maar kreeg vragen over vanzelfsprekendheden die ze in haar jeugd leerde. Want waarom zou je wekelijks naar de kerk gaan?

‘Naar de kerk gaan herinnert me aan mijn verlangen dat het anders kan’

Als ik iets goeds lees, zie of meemaak, vertel ik dat graag aan door anderen. Waar het hart vol van is, daar stroomt de mond van over, zegt het spreekwoord. Toch gek dat ik in de afgelopen 10 jaar niemand heb aanbevolen of getipt om eens een bezoek aan de kerk te brengen. Terwijl ik er zelf elke week te vinden ben.

Doe ik dan iets waar ik zelf eigenlijk niet achter sta? Is de kerk niet aanbevelingswaardig?

Als ik erover nadenk, stuit ik op warme herinneringen aan de kerk van mijn jeugd. Elke zondag trok ik mijn mooie zondagse kleren aan, wandelde ik aan de hand van mijn ouders naar de kerk waar in mijn beleving belangrijke dingen gebeurden. Ik wilde al snel niet meer naar de oppas, want bij de grote mensen in de kerk was het veel interessanter. Op de vraag waarom ik eigenlijk naar de kerk moest, antwoordden mijn ouders: ‘Je gaat toch ook elke dag naar school? Nou, zo ga je ook elke week naar de kerk.’

Naar de kerk voor snoepjes

Naast de kerkdiensten was mijn leven omgeven met activiteiten die iets met geloof en de kerk te maken hadden. Op de kinderclub knutselde ik en zongen we leuke liedjes. Op de zondagsschool spaarde ik punten voor een boek met het opzeggen van versjes en psalmen en de vakantiebijbelweek was elk jaar een groot feest. Ik zat op een christelijk kinderkoor en op een christelijke basisschool. De meeste vriendjes en vriendinnetjes deden dezelfde dingen als ik, oftewel: wat ik deed was heel normaal.

Deze positieve herinneringen: het fijne van ergens bijhoren en leuke dingen doen met andere kinderen bleven de boventoon voeren, ook toen ik ouder werd en vragen kreeg. Ze waren voor mij reden om mijn kinderen ook mee te nemen naar de kerk en zelf mee te werken aan kinderactiviteiten. Ik gun mijn kinderen ook die ervaring die ik zelf heb: dat ze ergens bijhoren, dat ze welkom zijn en dat ze het simpelweg leuk hebben. 

Toen ik pas aan mijn kinderen vroeg of ze het leuk vonden om naar de kerk te gaan zeiden ze: ‘Ja, want daar krijg je snoepjes.’ Zij gaan voor de snoepjes en voelen zich prettig bij een zich wekelijks herhalend ritueel.

Vroeger hoorde ik de kerkklokken luiden en dan dacht ik: God nodigt me weer uit om naar de kerk te komen. Een uitnodiging van God kon je natuurlijk niet weigeren, dus niet gaan was not-done. Nu denk ik: wat zinnig om een structuur in je leven te creëren, waarin je zonder dat het al te veel moeite kost de mogelijkheid krijgt om even stil te staan en je met andere zaken bezig te houden dan eten, drinken, werk, zorg en luiers.

Ik schaamde me eigenlijk

Mijn kinderen hielpen mij dus aan een ander perspectief op kerkgang, maar ook mijn verhuizing naar een andere plaats met bijbehorende (minder hippe) kerk. Ik keek ineens van een afstandje naar al die jaren kerkgang en moest eerst door al mijn ergernissen heen: er waren oude woorden zonder vertaalslag geweest, rituelen die te weinig heroverwogen werden, standpunten die niet meer pasten bij de tijd, wij-zij denken en de discrepantie tussen heilige woorden en het leven van elke kerkganger zelf.

Uiteindelijk concludeerde ik dat ik al die tijd niemand heb aangeraden om eens lid te worden van de kerk, omdat ik mezelf voor al deze dingen schaam(de). Blijkbaar was ik nog steeds dat meisje dat met haar zondagse jurk de kerk binnenstapte en dacht dat je aan de goede kant van het leven stond als je maar geloofde en naar de kerk ging.

Dat is natuurlijk niet waar. De kerk is heeft niet het alleenrecht op de waarheid. Op veel plekken zijn dingen te horen die waar zijn. De kerk heeft mooie liederen en muziek, maar ik luister net zo lief naar Stef Bos. Leeftijdsgenoten? Die zijn er, maar de meerderheid van mijn kerk bestaat nu uit 70-plussers. En God? Die is net zoveel buiten als binnen de kerk te vinden, heb ik inmiddels ondervonden.

Tegen de klippen op

Toch heb ik wat anders in die onvolmaakte kerk gevonden: ik merkte dat mijn wekelijkse kerkgang me herinnerde aan mijn eigen honger en verlangen. Het kan namelijk anders. Altijd. In deze wereld, in mijn eigen leven. Het kan mooier, vervulder, hoopvoller. Als je zingt, luistert, rituelen uitvoert rondom de inhoud van de bijbelverhalen, gaat het altijd over een leven dat hoopvol is, dat tegen de klippen op hardnekkig blijft volhouden om het goede te doen. Het blijven zoeken daarnaar, en structureel daarbij stil te staan, leidt tot zoveel meer ruimte.

Dan maar onvolmaakt, dan maar kansloos op z’n tijd, ik blijf gaan. En misschien moet ik dat maar eens doorvertellen…