De vraag of God bestaat – doet die er nog wel toe?

De vraag of God bestaat – doet die er nog wel toe?

Het rommelt in het klassieke gesprek over geloof en ongeloof. Dat concludeert Geert Jan uit het nieuwe boek van Taede Smedes én als hij om hem heen en in zichzelf kijkt.

Door het boeiende boek God, iets of niets? van Taede Smedes ben ik de laatste dagen stevig aan het piekeren over wat ‘gelovig zijn’ is. Smedes laat zien dat de strijd tussen Theïsten en Atheïsten steeds meer een achterhoede-gevecht is geworden. Niet omdat er geen gelovigen meer zijn, maar omdat geloof en ongeloof niet meer samenvallen met de strijd waar klassieke Theïsten en Atheïsten zo druk mee zijn. De strijd rond de vraag of God bestaat, over een bovenverdieping op de zintuiglijke werkelijkheid waarover van alles beweerd kan worden.

Taede Smedes voert die vraagstelling terug op de Verlichting. Hij duidt het strijdbare Theïsme als een reactie op de pretenties van een autonome Rede, die denkt het wel zonder het begrip God te kunnen doen. Door die historische achtergrond verliest het Theïsme veel van haar glans als de christelijke visie op de werkelijkheid. Ze was vooral een tegenreactie. Maar nu we steeds beter de betrekkelijkheid van de Rede durven gaan inzien is die tegenreactie eigenlijk helemaal niet zo relevant meer.

Taede Smedes heeft de tijdgeest te pakken

Nu zou je kunnen zeggen dat Smedes schrijft over grote denkers en stromingen, en dat daarmee nog niets is beweerd over ‘gewone’ gelovigen en ongelovigen. Maar dat is te kort door de bocht. Hij begint zijn verhaal met de cijfers van de God in Nederland onderzoeken waaruit duidelijk blijkt dat er wel degelijk ook onder gewone mensen binnen en buiten de kerk iets gebeurt met die oude definities.

Oké, dat zijn dan weer statistieken en algemeenheden, maar ook als ik om me heen kijk zie ik dat het rommelt op het geloof-ongeloof gebied. En ook als ik naar mezelf kijk stuit ik op andere vragen en dilemma’s dan alleen de vraag of God bestaat of niet. Ik constateer dat die vraag niet weg is, maar niet meer een logische eerste plaats inneemt. Het is niet meer als een soort wiskundig axioma de allesbepalende en primaire stap waar de rest van mijn overtuigingen op rust of doorborduurt.

Iets geloven en ergens op vertrouwen zijn twee dingen

Wat betekent ‘gelovig zijn’ nou precies? Wat is in mijn dagelijks (geloofs)leven het verband tussen ‘iets voor waar houden’ en ‘ergens op vertrouwen’? Die vraag heeft dankzij het boek van Taede Smedes voor mij behoorlijk aan urgentie gewonnen. Levend in de Nederlandse taal hebben wij het nadeel dat het woord geloof het onderscheid tussen ‘geloven dat’ en ‘vertrouwen op’ niet erg expliciet maakt.

De Engelsen kunnen gebruik maken van belief en/of faith als ze iets over hun geloof zeggen. In het Deens is één begrip overheersend: tro, dat vertrouwen betekent. Best mooi eigenlijk dat dat in de taal van Kierkegaard voorop staat als het over geloven gaat. Maar vertrouwen veronderstelt toch ook het bestaan van iets of Iemand?

Wie het verdedigt, heeft er nooit in geloofd

Ik heb God, iets of niets? nog niet eens uit. Ik hoop er in een volgend blog op terug te komen. Met meer over dat boek en meer over hoe Kierkegaard met de vraag naar het bestaan van God omgaat.

Om een beetje in de stemming te komen: met de strijd tussen de klassieke Atheïsten en Theïsten over Godsbewijzen en het op basis daarvan verdedigen of aanvallen van het geloof heeft Kierkegaard in ieder geval niets.

Het is daarom zeker en gewis dat degene die voor de eerste keer op het idee kwam het Christendom te verdedigen de facto een Judas nummer 2 is. Ook hij verraadt het met een kus, alleen is zijn verraad uit domheid. Iets verdedigen is altijd een negatieve aanbeveling. […] Iemand die het verdedigt, heeft er nooit in geloofd.
Søren Kierkegaard in Ziekte tot de dood