Je dient de ander pas écht als het jezelf pijn doet

Je dient de ander pas écht als het jezelf pijn doet

Anja was tien jaar non toen ze begon te twijfelen over haar keuze. En verliefd werd op een theologiestudent. Inmiddels is ze getrouwd én moeder. In deze serie blikt ze terug op deze bijzondere periode in haar leven. Deel 2: de ander in alles dienen doet soms vreselijk pijn.

Vandaag gaat de preek over de tekst in Galaten 5:13-14.

Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in de liefde, want de hele wet is vervuld in deze uitspraak: Heb uw naaste lief als uzelf.

Mooie woorden. Gaan we doen, denk ik gemakkelijk. Hier zit ik dan, op een mooie zondagochtend tussen mijn broeders en zusters. Voordat de dienst begon, sprak ik er nog een paar. Mooie mensen, stuk voor stuk. Ze kennen mij, ik ken hen. Vrienden en vriendinnen. Ik kijk links en rechts van me. Ik voel me hier thuis. Hier vind ik wat ik zoek: gemeenschap, saamhorigheid, zuster- en broederschap. Precies waar de preek over gaat.

Christus’ oproep om elkaar te dienen is hier niet moeilijk. Dat doe ik graag. Als ik omhoog kijk, waar de klanken van ons gezang samensmelten tot een volmaakte harmonie, besef ik  dat niet alleen ik, maar ook God blij zal zijn dat het ons zo goed gelukt is: samen één te zijn in Christus.

Met klamme handen in de kapel 

Een heldere herinnering doorbreekt mijn brave, christelijke genoegzaamheid en zet mij met beide benen op de grond. Ik zie mezelf staan als 21-jarige, met klamme handen in de kapel tegenover moeder-overste en ten overstaan van alle zusters. Ik sta daar in de diepe overtuiging dat ik de rest van mijn leven met deze kloostergemeenschap wil delen. [Lees meer over haar keuze in deel 1 van deze serie.]

Anja den BokDie dag maakte ik een radicale stap omdat het ideaal zo mooi was. Ik koos om alles samen te delen in gemeenschap van goederen (de gelofte van armoede), zonder gebonden te zijn aan een man (gelofte van maagdelijkheid) en mijn eigen wil te stellen onder het gemeenschappelijk belang (gelofte van gehoorzaamheid).

Veel vrouwen denken dat de eerste gelofte het moeilijkst is. Veel mannen de tweede. Maar na tien jaar kloosterleven heb ik ontdekt dat deze twee geloftes veel eenvoudiger zijn dan de derde. Gehoorzaamheid aan de gemeenschap was voor mij verreweg de moeilijkste gelofte. Want echte dienstbaarheid, waar Christus om vraagt en waar Paulus in Galaten 5 op wijst, is niet gemakkelijk of aangenaam. Ze wordt namelijk pas echt als het jezelf pijn doet.

Verbonden door iets groters

In het klooster heb ik geleerd wat het is om een gemeenschap in Christus te zijn. Tweehonderd zusters leefden dag en nacht met elkaar; biddend en werkend in de gezamenlijke overtuiging dat zij verbonden waren door iets groters dan vriendschap of goede bedoelingen. Dat maakte ons één, ondanks onze karakters of gebreken. Dit besef vulde niet alleen mij, maar alle zusters die om mij heen stonden toen ik ‘ja’ zei in de kapel.

Deze verbondenheid kwam van boven en van beneden. Ze was van God en kwam voort uit de keuze van onze harten om te dienen. Deze verbondenheid bracht al onze verschillende levens bij elkaar. Jong of oud, van boven of onder de rivieren, intelligent of eenvoudig, door het leven getekend of groen als gras. Als jonge vrouw van 21 stapte ik in een gemeenschap waarin zusters elkaar al een halve eeuw kenden.

Sommige zusters waren vrolijk en uitbundig, anderen juist bedachtzaam of stil. Er waren intelligente zusters, die voorheen rechten of medicijnen hadden gestudeerd en zusters die de meisjesschool niet eens hadden afgemaakt. De één werkte fanatiek en vol overgave, de ander liep de kantjes ervan af.

Een snauw in plaats van een dankbaar woord

In de tien jaar na mijn klamme handen in de kapel, ontdekte ik wat mijn gelofte van gehoorzaamheid betekende. Ik had niet voor deze groep mensen gekozen, omdat deze vrouwen mijn vriendinnen waren. Deze gemeenschap had niet voor mij gekozen, omdat ik zo’n aardige meid was.

De grondslag van onze gemeenschap lag bij onze gedeelde verbondenheid met Jezus. Christus had mij geleerd om de ander te dienen. Of dat nu de medezuster was of de dakloze moeder. Niet om dankbaarheid te ontvangen, want vaker kreeg ik van zwervers een snauw. Ook niet om mij er goed bij te voelen, want leven in een gemeenschap deed mij vaak genoeg beseffen waarin de ander of ikzelf tekortschoot.

Dienstbaar zijn aan mijn medezusters was nog moeilijker dan aan zwervers op straat. Om samen verder te werken in de keuken of te bidden in de koorbanken, vereiste dat ik mezelf regelmatig moest aanpassen. Ik moest mij schikken naar de wil van de ander, luisteren als ik beter wist, volgen in plaats van leiden. Pas dan kon ik Christus’ leerling zijn, heel concreet, heel dichtbij.

Zoals ik jullie liefgehad heb, zo moeten jullie elkaar lief hebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn. – Johannes 13:35

Als beginnend zuster leerde ik om mijn hoofd te buigen en mijn tong af te bijten, vooral dankzij mijn ‘socia’, de begeleidster van jonge zusters. Een zuster die de wind er goed onder had, last had van humeurige buien en geen tegenspraak duldde. Als ik terugdenk aan haar strenge lessen in gehoorzaamheid, vraag ik af of deze aangeleerde nederigheid hetzelfde is als de dienstbaarheid waartoe Christus ons roept.

Ik woonde niet samen met mijn beste vriendinnen…

Hoe het ook zij, dankzij mijn socia leerde ik dat de gemeenschap van Christus niet alleen uit je beste vriendinnen bestaat. Daar zaten ook zusters tussen met wie je helemaal niet overweg kon en die je desondanks moest dienen in liefde.

Dat betekende bijvoorbeeld dat ik als jonge non een fietstocht met andere zusters moest opgeven om op een zonovergoten zomerdag binnen Rummikub te spelen met een groepje bejaarde zusters. Of dat ik als hoofd van de keuken rustig moest blijven als mijn medezuster, die nauwelijks kon werken vanwege depressiviteit, de aardappelen voor tachtig man liet droogkoken.

Nog moeilijker was het om mijn hoge werktempo aan te passen aan iemand die tergend langzaam werkte, of onhandig was, of onnozel.

Terwijl ik rondkijk in de kerk, denk ik aan die woorden uit Galaten 5. Weten al die mensen om mij heen wat ze gevraagd wordt? Een zondagochtend naast elkaar zitten om te luisteren naar een bijbellezing, is iets anders dan tien jaar lang het leven samen delen.

Zou ik het nog kunnen? De ander dienen zoals toen? Wil ik het nog wel? De ander proberen lief te hebben als hij of zij mij irriteert, mij op mijn tekortkomingen wijst of mij pijn doet?

Dit is dus werkelijk de ander dienen

Als dienstbaarheid zo voelt, haken de meeste mensen af. Ze zoeken een andere kerk, een andere vriendengroep. In het klooster heb ik gezien wat Christus werkelijk bedoelde met elkaar dienen. Juist wanneer de gemeenschap van christenen vanbinnen pijn doet, irriteert en vervelend voelt, kan zijn dat je op de goede weg bent. Dat je groeit in geloof. Dat je leeft zoals Christus dat wil. Als God de tuinman is die ons snoeit, dan gebruikt hij daar andere mensen voor. Dat leerde ik van mijn medezusters.

Uiteindelijk heb ik het leven in het klooster losgelaten. Maar niet vanwege de mensen waar ik nog altijd heel veel van houd. Zij hebben mij gevormd en laten zien wat het betekent om te dienen in liefde. Niet groots en ver weg, maar heel dichtbij. Dichterbij dan je soms lief is.


anja den bok boek

Dit jaar publiceerde ex-non Anja den Bok haar bijzondere levensverhaal in de autobiografie ‘Driemaal bruid’. Anja stond al eerder op een Lazarus-podium, tijdens de eerste avond van de 7keer7 tour.

In deze nieuwe blogserie beschrijft ze de verschillen tussen het kloosterbestaan en haar leven als drukke moeder en onderzoekt ze zowel haar heimwee als haar opluchting.