‘Elke poging om God af te schaffen of te vermoorden, leidt alleen maar tot andere problemen’

‘Elke poging om God af te schaffen of te vermoorden, leidt alleen maar tot andere problemen’

Wat heeft Luther ons nog te zeggen?, vroeg Geert Jan zich af. Uiteindelijk leerde hij door de woorden van de ‘geniale Deen’ Kierkegaard Luther beter te begrijpen en te waarderen. 

De geschiedenis van Maarten Luther heeft alles in zich om als aansprekend verhaal te worden doorverteld en herdacht. Middeleeuwse landschappen vol kastelen, grootvorsten, machtige kerkfunctionarissen, een bijna almachtige paus en een weerbarstige monnik.
Decor en hoofdrolspelers zijn dramatisch dik in orde als ingrediënten voor een vertelling om bij weg te dromen. Maar valt er meer over te zeggen? Houdt het bijvoorbeeld direct verband met het tobberige mannetje dat ik ben en dat ergens in de 20e eeuw probeerde uit te vogelen wie hij was en wat geloven daarmee te maken had?

Alleen al het centrale thema van Luthers getob: ‘Hoe krijg ik een genadig God’ klinkt toch niet al te actueel. Als ik me probeer te verplaatsen in de middeleeuwen, waarin de aanwezigheid van een strenge God min of meer vanzelfsprekend was en het eeuwig heil een dagelijkse zorg, kan ik me voorstellen dat een genadig God een welkome oplossing was voor een onzekere ziel. Maar dat is toch niet meer onze zorg?

Angst om te bestaan

Ik heb lang inderdaad gedacht van niet. In de kerkbanken van de Baptistenkapel in IJmuiden had ik, op het eerste gezicht, andere problemen. Ik hoorde de preken waarin die genadige God als vanzelfsprekend werd opgevoerd. Maar ik schoot vaak in het volgende dilemma: als ik naar God kijk, als ik me Hem probeer voor te stellen, dan wordt Hij onderdeel van mijn denken. Dan wordt Hij hanteerbaar, maar ook te klein om me aan over te geven. Maar als ik me voorstel dat God naar mij kijkt, dan wordt Hij me te groot. Dan verdwijn ik in die ogen, verschrompel ik onder die blik. Wat is dan nog de ruimte voor mij, voor dat wat onsamenhangende hoopje eigenschappen, gevoelens en verlangens dat zich ‘ik’ durft noemen, in het verschroeiende licht van die overal en altijd maar schijnende Zon?

Jaren later las ik bij Kierkegaard:

Een mens kan menen dat het niet uit te houden is om er voor God te zijn, omdat die mens namelijk niet bij zichzelf terug kan komen, niet zichzelf kan worden. Wie op een zo fantastische wijze religieus is zou kunnen zeggen (om hem met behulp van zijn eigen woorden te karakteriseren): ‘dat een mus kan leven is te begrijpen, die weet niet dat hij er is voor God. Maar weten dat je er bent voor God, en dan niet op hetzelfde ogenblik gek worden of tot niets worden!’
[Uit: De ziekte tot de dood]

Het was weer eens die geniale Deen die onder woorden kreeg wat ik alleen maar wanhopig ervoer. Hij beschrijft in dit citaat iemand die doorslaat in religieuze fantasieën. Die alsmaar zo met zichzelf en zijn godsbeelden bezig is dat hij niet meer bij zichzelf terugkomt, maar ook niet zichzelf wordt. Wat daaronder zit is angst, de angst om te bestaan. Om er gewoon maar te zijn. Een ‘zelf’ te zijn met alles wat erbij hoort. Een lijf, een plek onder de zon, zuurstof om in te ademen en anderen om te ontmoeten.

Een weg uit die benarde positie waarin de aanwezigheid van die genadeloos allesziende God je de adem beneemt, is de vlucht vooruit. Het is de weg van Nietzsche: als God ons lijkt te vermoorden, slaan we terug en vermoorden wij Hem. Het is nog maar de vraag hoeveel dat oplost. Een eeuw later worstelt de atheïst Sartre met ‘de blik van de ander’, die ons ook al bedreigt. Is God vermoord, hebben we dat weer.

God vermoorden leidt alleen maar tot grotere problemen

Kierkegaard wijst op een heel andere manier om met de ongenadige blikken van God om te gaan. En daarbij treedt hij in het spoor van Luther. Beiden geloven dat God onvermijdelijk is, en dat iedere poging om hem af te schaffen of te vermoorden tot andere, grotere problemen leidt (zie Sartre). Beiden geloven dat we pas onszelf worden in de spanning die in ons ontstaat als we ons ‘voor God’ weten. Uit die spanning willen we weg, en er is veel dat ons daartoe verleidt of verzoekt, maar al die aangeboden alternatieven lopen dood.

Uiteindelijk is er geen andere weg dan te beseffen dat we vechten met onze eigen fantasieën. We maken beelden van God omdat we ons niet kunnen voorstellen dat God liefde is. Dat we blijkbaar bestaan voor het aangezicht van een God die ons niet veroordeelt, maar die met óns ook de ruimte schept waarin we mogen en kunnen ademen. Die zich kwetsbaar en schijnbaar machteloos terugtrekt, die zich toont in de gestalte van een Mens. Op de één of andere manier hebben we liever géén God, of een wrekende God dan een gekruisigde God. Zelfs liever een afwezige God (Deus absconditus), dan een geopenbaarde God (Deus revelatus).

Vlucht van God naar God

Ons bestaan voor God (Coram Deo) levert een worsteling op die Luther wel beschrijft als een ‘vlucht van God naar God’. Van de gefantaseerde God die ons wegdrukt en de adem beneemt, die geen boodschap heeft aan ons verlangen om onszelf te zijn, naar de God die ons leven juist mogelijk maakt. Die vrijheid en liefde is, en die ons verlost uit onze zelf-geconstrueerde gevangenissen.

‘Verzoeking’ en ‘beproeving’ zijn onvermijdelijk op weg naar die vrijheid*. Ze horen niet bij de morele acrobatiek van geestelijke topsporters, ze zijn niet voorbehouden aan nukkige monniken en excentrieke Denen. Het gaat niet om spiritualiteit voor gevorderden, maar om een opgave voor iedereen. Iedereen die in beweging komt, die niet alleen wil overleven, maar wil leven krijgt er mee te maken.

‘Hoe krijg ik een genadig God?’ is wat mij betreft dus geen vraag naar een manier om moreel te overleven, nu en in het hiernamaals, maar een schreeuw om te mogen bestaan. Een schreeuw om Leven.

* Over de praktijk van (en de verschillen tussen) ‘verzoeking’ en ‘beproeving’ volgende keer dan maar…