Filosoof Ger Groot: ‘Door de Reformatie kwam de mens steeds meer in het middelpunt te staan in plaats van God’

Filosoof Ger Groot: ‘Door de Reformatie kwam de mens steeds meer in het middelpunt te staan in plaats van God’

Rick las het boek De Geest uit de fles van filosoof Ger Groot. Daarin betoogt de schrijver dat God wel is doodverklaard, maar dat de westerse cultuur die dood nog steeds niet heeft verwerkt. Rick besluit om er nog even met Ger over door te praten. 

Feest! Op 31 oktober is het precies 500 jaar geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen publiceerde en de Reformatie inluidde. Deze mijlpaal wordt gevierd met een bijeenkomst in de Utrechtse Domkerk, waar zelfs de koning bij aanwezig zal zijn.

Maar wacht even, hoeveel reden hebben de kerken eigenlijk tot blijdschap? Als we filosoof Ger Groot moeten geloven, is het westerse christendom juist na de Reformatie op een heel ander spoor terechtgekomen dan de bedoeling was. In zijn boek De geest uit de fles behandelt Groot (docent aan de Erasmusuniversiteit en medewerker van Trouw en NRC Handelsblad) zo’n vier eeuwen westers denken, met als rode draad de vraag: hoe verdween God uit onze cultuur en wat zijn daarvan de gevolgen?

U suggereert in uw boek dat het christendom zelf aan de basis ligt van de secularisering. Hoe zit dat?

‘Ja, dat is een heel ironische ontwikkeling. Je kunt in de filosofie natuurlijk nooit één punt aanwijzen waarop een bepaalde gedachte ontstond, want het één is altijd een gevolg van het ander, maar voor het gemak zou je de Reformatie een soort beginpunt van de secularisering kunnen noemen. In de Middeleeuwen waren al diverse pogingen gedaan om het geloof te intensiveren, om leken actiever bij de godsdienst te betrekken, en dat kwam bij het ontstaan van het protestantisme tot een hoogtepunt. Opeens werd de mens actief gestimuleerd om een persoonlijke relatie te hebben met God. Dat leidde tot individueler denken. De mens kwam steeds meer in het middelpunt te staan, in plaats van de almachtige en alwetende God. En die verdween zo steeds meer naar de achtergrond.’

Een kantelpunt in die ontwikkeling was het denken van Descartes in de zeventiende eeuw, schrijft u. Wat maakte hem zo revolutionair?

‘Er heerste in die tijd een chaos van meningen. In de wetenschap waren allerlei spectaculaire vondsten gedaan die veel klassieke opvattingen onderuit hadden gehaald. Ook hier speelt weer die ironie: wetenschap werd destijds vaak bedreven vanuit heel vrome motieven. Neem iemand als Isaac Newton, die was diepgelovig en bestudeerde de natuur in een poging om dichter bij God te komen. Maar juist wat in de wetenschap werd ontdekt, leidde bij veel mensen tot verwarring en scepsis. In die zin had de zeventiende eeuw wel iets weg van onze tijd. “Er zijn zoveel meningen,” zeiden de mensen. “Wat kunnen we nu eigenlijk nog echt zeker weten?” Nou, op die vraag probeerde Descartes een antwoord te formuleren. “Ik denk, dus ik besta,” stelde hij vast. “Dat is een absolute zekerheid waar we van uit kunnen gaan.” Onbedoeld – want ook hij was nog heel gelovig – stootte hij daarmee God van zijn plek als het ankerpunt van alles, en verving hem door de mens. De denkers na Descartes borduurden daarop voort.’

‘Nietzsche wijst erop dat we de aarde hebben losgekoppeld van haar verankering’

Tot Nietzsche twee eeuwen later de ultieme consequentie van dat denken verwoordde: de mens heeft God gedood.

Nietzsche wordt vaak gezien als een heraut van de secularisering, alsof hij slechts vaststelde dat mensen niet meer naar de kerk gingen en zo, maar zijn ideeën gaan veel verder. Hij wijst erop dat we de aarde hebben losgekoppeld van haar verankering. Dat er geen absoluut punt meer is waarop we ons kunnen oriënteren. We zijn onbekende wezens geworden die doelloos door het heelal zweven. En daarmee is dus niets meer zeker, we zullen al onze overtuigingen moeten heroverwegen.’

Had Nietzsche concrete ideeën over hoe we dan in die hopeloze toestand moeten leven?

‘Jawel, volgens hem zit er niets anders op dan ons lot onvervaard te omarmen, te accepteren dat er geen verlossing is en dat we tragisch ten onder zullen gaan. Dat is een gedachte die in Nietzsches tijd, zo rond het einde van de negentiende eeuw, veel weerklank vindt; het sluit aan bij het romantische ideaal van de krachtige eenling. En het leeft nog steeds. In de journalistiek bijvoorbeeld, bij columnisten die minachtend opschrijven dat godsdienst iets is voor mensen die het leven niet aankunnen en zo.’

Gingen de filosofen na Nietzsche serieus aan de slag met zijn opdracht om alles te heroverwegen?

‘Nee, niet direct. Het is nogal een opgave natuurlijk, om alles uit te wissen. En het idee dat er geen ankerpunt bestaat, boezemt angst in. Dus hoewel God in de twintigste eeuw al wel uit het denken verdwenen is, wordt het oude model van een universum met één middelpunt rustig aangehouden. Waarbij de mens heel trots de lege plek van God heeft ingenomen. Dit denken komt tot een hoogtepunt bij Sartre, die de mens expliciet aanwijst als het nieuwe “absolutum”. Maar het kan geen standhouden. Want de mens is beperkt en sterfelijk. In de politiek van de twintigste eeuw zie je wat ervan kan komen: regimes die resoluut uitgaan van de soevereiniteit van de mens, monden uit in catastrofes.’

Wat is dan het alternatief voor dit systeem?

‘Daar denkt Martin Heidegger over na, al in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Hij zegt dat er geen centrum meer is, maar dat de wereld wel een zekere orde heeft, waar de mens zich in moet voegen. “We moeten luisteren naar het zijn,” zo verwoordt hij het. Dat klinkt abstract, maar je ziet er iets van terug in het ecologische denken dat de laatste vijftig jaar is opgekomen. De natuur wordt niet meer beschouwd als iets wat wij als buitenstaanders naar believen kunnen manipuleren, nee, we zijn er zelf onderdeel van, en we zijn ervan afhankelijk.’

Het idee dat de mens niet voor God moet spelen komt al expliciet naar voren in de Bijbel, bijvoorbeeld in de verhalen over Adam en Eva en de Toren van Babel. Dat werpt de vraag op: is onze tijd echt zo uniek? Herhaalt de geschiedenis zich niet voortdurend?

‘Natuurlijk zijn veel inzichten zo oud als de wereld. Maar, zoals de Canadese filosoof Charles Taylor heeft opgemerkt, er is één groot verschil tussen onze tijd en alle voorgaande periodes, namelijk dat het niet meer vanzelfsprekend is om in God te geloven. Of sterker nog: dat mensen die in God geloven zich moeten verantwoorden. Ik herlas laatst het boek Utopia van Thomas More, die voor zijn tijd erg ruimdenkend was maar wel schreef: “Voor één mening kunnen we niet tolerant zijn: het atheïsme.” In onze tijd is dat bijna andersom, zeker in D66-achtige kringen.’

‘In je eentje thuis op de bank zitten, lijkt me hoe dan ook geen erg vruchtbare manier om godsdienstig te zijn.’

Toch is religie in al die eeuwen die u beschrijft wel degelijk blijven bestaan. Nog steeds beschouwt ongeveer de helft van alle Nederlanders zichzelf als gelovig of ‘spiritueel’. Is dat een kwestie van naïviteit, achterlopen, de kop in het zand steken?

‘Nee, dat wil ik zeker niet beweren. Ik constateer dat religie uit de publieke arena is verdwenen, maar dat zegt niet per se iets over onze religieuze behoeften. Ik ben zelf katholiek opgevoed en niet meer gelovig, maar ik kan veel begrip opbrengen voor mensen die dat wel zijn. In mijn beleving draait godsdienst niet zozeer om de geloofsdaad zelf, of om ethiek, maar vooral om de praktijk, de rituelen, het samenkomen met gelijkgestemden. In een wereld die soms van verkilling uiteen dreigt te vallen, vinden mensen houvast bij elkaar en wordt het universum weer een thuis.’

Maar het is nu juist de kerkgang die in rap tempo afneemt. Is religie niet steeds meer een privézaak geworden?

‘Misschien is het eerder zo dat de rituelen aan het veranderen zijn. Enerzijds lopen de traditionele kerken leeg, anderzijds zijn er nieuwe initiatieven als de zogenaamde atheïstenkerk, en wordt er veel aan yoga en mindfulness gedaan. En ook de populariteit van leesclubs duidt op een behoefte aan reflectieve momenten. In je eentje thuis op de bank zitten, lijkt me hoe dan ook geen erg vruchtbare manier om godsdienstig te zijn. Persoonlijk ben ik daar ook een beetje huiverig voor, omdat elke vorm van levensbeschouwing vatbaar is voor een zekere radicalisering. In een georganiseerd verband kun je een beetje in de gaten worden gehouden en zo nodig worden gecorrigeerd. Ik kan me dan ook niet vinden in de gedachte dat geloven puur iets voor achter de voordeur zou moeten zijn, zoals in sommige kringen wordt geroepen.’

Gelovig of niet, ik denk dat bijna iedereen wel ervaart dat het verwarrende tijden zijn. In uw boek concludeert u: ‘Er heeft zich een grondige onzekerheid van ons meester gemaakt over onze plaats en bestemming in de werkelijkheid.’ Is er wat u betreft nog reden voor hoop?

‘Absoluut. Pessimisme vind ik een denken waarin de filosofie zichzelf verzaakt, en waarin de mens zichzelf verzaakt. We kunnen alleen maar mens zijn wanneer we een zekere hoop koesteren. En daar hebben wij, juist in deze tijd, alle reden toe. Natuurlijk vallen er dingen te verbeteren, maar in het algemeen gaat het erg goed. Er is minder honger in de wereld dan vroeger, minder armoede, ziekte, analfabetisme. Er wordt meer aan geboortebeperking gedaan, de rol van vrouwen is aanzienlijk verbeterd. Er is alle reden om dankbaar te zijn dat we nu leven.’


 De geest uit de fles – hoe de moderne mens werd wie hij is, Ger Groot, € 34,50

 

Wil je meer lezen over dit onderwerp? Filosoof Gerko Tempelman schrijft er voor onze site ook een boeiende serie over, die je hier vindt.