Huh? Zijn sommige mensen bedoeld voor de vuilnishoop?

Huh? Zijn sommige mensen bedoeld voor de vuilnishoop?

Wie horen erbij en wie staan erbuiten? Wat moet je met bijbelteksten waarin het lijkt alsof God bepaalde mensen heeft bestemd voor de vuilnishoop?

De vraag deze week is: Met betrekking tot Romeinen 9 vragen we ons af hoe een God, die zelfs maar een klein beetje fatsoenlijk is, die ‘ons geluk voor ogen heeft…’ (zoals Jeremia dat schreef), in werkelijkheid sommigen van ons kan bestemmen om zijn ‘vuilnisbak’ te worden?

Yep. Dat is een raar tekstgedeelte, zo op het eerste gezicht. Ik denk dat er meer aan de hand is in dit hoofdstuk dan je zou denken, als je het voor de eerste keer leest.

Eén onafgebroken gedachtegang

Allereerst, de hoofdstukken 9-11 lijken een beetje op zo’n lang tussenspel in een muzieknummer. Dus je moet die hoofdstukken lezen als één onafgebroken gedachtegang. Alsof de schrijver Paulus even pauzeert aan het einde van hoofdstuk 8, omdat hij weet dat wat hij tot dan toe heeft geschreven aan zijn vrienden in Rome vragen gaat oproepen. Dus hij neemt even de tijd om hun vragen te ondervangen in 9 tot en met 11, en dan gaat hij weer verder in hoofdstuk 12.

Ten tweede, hoe begint hoofdstuk 11 eigenlijk? Met een vraag. En hoe luidt die vraag? ‘Heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet!’ Dat is nog eens interessant, vind je niet? Want vaak lezen mensen hoofdstuk 9 en die gedeelten over toorn en dan zeggen ze: ‘Zie je wel? Sommige mensen zijn het voorwerp van zijn toorn, bestemd voor de vuilnishoop! Ze hebben God afgewezen en nu zullen ze branden!’

Voor iedereen barmhartig

Maar lees even verder, want dat is precies wat Paulus claimt niet te zeggen. Hij heeft het erover dat ze er volledig bij zijn. (Dat zijn Paulus’ woorden, hè, niet de mijne). En dan schrijft hij dat God de genade die hij schenkt nooit terugneemt, en wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet ongedaan, en dan schrijft hij dat God doet wat hij doet, dus dat God voor ieder mens barmhartig kan zijn. O ja, en in hoofdstuk 11 zegt hij ook nog dat heel Israël gered zal worden. (Dat staat in hoofdstuk 11 vers 26.)

Is dat zo? Worden ze gered? Wat moet je daar nou weer mee? Hoe komt het dat voorgangers dat vers niet zo heel vaak aanhalen? Er volledig bij zijn, niet ongedaan maken, barmhartig voor ieder mens, allen gered. Dat zijn de werkelijke woorden die in dit tekstgedeelte worden gebruikt. Dus als iemand begint te praten over toorn en dat soort dingen, dan is het belangrijk dat ze ook praten over er volledig bij zijn en genade. Zie je hoe gemakkelijk het is om een paar woorden uit de Bijbel te halen waarmee je zo’n beetje alles kunt zeggen wat je maar wil?

Je wordt gevraagd te vertrouwen dat God echt zo goed is

We gaan terug naar de oorspronkelijke vraag over een God die zelfs maar een klein beetje fatsoenlijk is. Waarom zou je iets te maken willen hebben met een God die enigszins keurig en netjes is? Waanzin. Maak dat je wegkomt als je een enigszins keurig nette God tegenkomt.Paulus probeert je hier niet ervan te overtuigen dat je een of andere ‘enigszins keurig nette God’ moet volgen of aanbidden of erin geloven of wat ook maar.

Hij schetst hier een beeld van een liefdevol en genadig goddelijk wezen dat jou vraagt om te vertrouwen. Liefde, genade, kracht, redding — je wordt gevraagd om erop te vertrouwen dat God echt zo goed is. Die liefde vormt echt de grond van ons bestaan. Dat iedereen ten diepste verblijft in de goedheid van deze God. Dat alles wat jij ooit zou kunnen proberen om bij God in een goed blaadje te komen al gedaan is voor jou.

Wie is binnen, wie is buiten?

Kun je die goedheid weerstaan? Natuurlijk kun je dat. Er zijn voortdurend mensen die dat doen. Kun je kiezen voor isolement en geweld en negativiteit en cynisme? Natuurlijk kun je dat. Er zijn voortdurend mensen die dat doen. Kan je hart koud worden en je leven alleen op jouzelf gericht, zodat je hier en nu je eigen hel op aarde creëert? Natuurlijk, er zijn voortdurend mensen die dat doen. Maar als iemand kiest voor dat pad, dan is dat zijn eigen keuze. Niet die van God. God is liefde, genade, barmhartigheid — hij vraagt iedereen om te vertrouwen dat dit soort leven, hier en nu, wel echt mogelijk is.

En dan nog één gedacht: is het satire? Is dat stuk waarop de vraag in het begin van hoofdstuk 11 betrekking in feite een soort over-the-top beeldspraak die Paulus gebruikt om zijn punt te maken? Kijk bijvoorbeeld eens naar vers 19 waar hij schrijft: ‘Maar nu zult u vragen…’ Hij voert hier duidelijk een denkbeeldig gesprek met zijn lezers. Zij zijn opgevoed met een strikte indeling van wie binnen is en wie buiten zit. Zo zien ze de wereld. En in hun manier van redeneren zijn zij binnen, natuurlijk. (De mensen die zo praten zijn altijd binnen, volgens hun eigen inschatting, ja toch?)

Is dit eigenlijk een briljant en subversief stukje schrijven? Waarin Paulus de positie van zijn vrienden inneemt, die bezwaar zouden maken tegen zijn grotere punt? En waarmee hij hun perspectief parodieert, om zo een beeld te schetsen dat zo veel groter en echter en liefdevoller en mooier is dan iets wat zij maar hadden kunnen verzinnen? Waardoor ze helemaal van hun sokken worden geblazen?

Klinkt dat als een goddelijk wezen die echte mensen op een vuilnishoop gooit?

Is dit tekstgedeelte eigenlijk veel meer allesomvattend en aangenamer en uitgebreider en transcendenter dan de meeste lezers van dit gedeelte beseffen? Is dit gedeelte – dat vaak wordt gebruikt om de overtuiging mee te rechtvaardigen dat God van plan is om miljarden mensen te laten branden in de hel – eigenlijk een gedeelte dat gaat over de genade en barmhartigheid van de God die wil dat iedereen wordt meegerekend? Dat iedereen tot bloei komt en wordt gered waarvan ze gered moeten worden?

En dan nog één punt om toe te voegen aan dat ene extra punt dat ik wilde maken: hoe eindigt hoofdstuk 11? Met een jubelzang vol euforische lofprijzing. Letterlijk gelezen staat er: ‘Want voor hem en door hem en tot hem zijn alle dingen.’ Of: ‘Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid.’

Klinkt dat als een goddelijk wezen die echte mensen op een vuilnishoop gooit? Het gedeelte eindigt met een juichende proclamatie van de eenheid van deze God. Van de macht van deze God die alle dingen en mensen en gebeurtenissen bijeenhoudt. Heel. Geheeld. Verbonden. Eén. En daar, mijn beste vrienden, is niets ‘enigszins’ of ‘klein beetje’ aan.