Laten we het uitpraten

Laten we het uitpraten

Rikko geeft op de vroege ochtend inspiratie om de dag bewust te beginnen. Hij leest om 6 uur de teksten uit een oud kerkelijk leesrooster en zo rond 7 uur deelt hij de gedachte die dan op-popt. Elke werkdag te lezen en te beluisteren. 

Laten we het uitpraten – PopUpGedachte dinsdag 27 februari 2018

Het is heel stil buiten. Ergens druppelt een lekke regenpijp. Maar dat is het dan. Op de achtergrond in de verte het geruis van de snelweg. Verder is het stil en de lucht is donker. Alhoewel, je ziet het ook gloren. Heel lichtjes. De voorbode van maanden die volgen waarin het steeds lichter zal zijn op dit tijdstip. Ik zie er naar uit. Maar nu is het nog stil. Ook de vogels zwijgen nog. Over een half uurtje niet meer, hoor. Maar nu nog wel. Alsof de hemel wacht en luistert. Misschien wel wenkt: zeg het maar.

Het is het eerste zinnetje dat blijft haken vanochtend. Misschien komt het door de snelwegkerk die we gisteren opgezet hebben en waar ik na het afronden van deze popupgedachte weer spoorslags heen moet, want de doeken moeten weer opgehangen, het boek weer opengeslagen, het lichtje aan, de houtkachel in de fik. Dan zijn we weer open om 11u. De eerste snelwegkerk van Nederland, een tijdelijke en gelijk ook de koudste kerk van Nederland. Verkleumde mensen schrijven met handschoenen hun regels in het grote boek. En de zin die blijft haken vanochtend in mijn hoofd, uit de lezingen van de dag, is: ‘Kom dan – zegt de Eeuwige – laten we het uitpraten.’ Om dan vervolgens te zeggen voor degene die niet durft: ‘Al zijn uw zonden rood als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.’

Andere tijd, denk ik dan. Ander soort publiek. We gaan vandaag niet het gesprek met zo’n Eeuwige uit de weg omdat de zonden ons het gevoel zouden geven dat we niet waardig zijn. We vinden dat de zonden van de Eeuwige, of tenminste zijn volgers, rood zijn als scharlaken. En de welwillende Nederlander langs de snelweg wil luisteren hoor, vind het best mooi zo’n plek. Maar het is absoluut niet hij of zij wiens zonden roodgekleurd zijn. Het is de kerk en zijn godheid, de hypocrisie, de vuiligheid, het moralisme en het gebrek aan zelfstandig denken. ‘Ik moet zelf uitmaken wat goed is’ zegt de eerste bezoeker van de snelwegkerk. ‘Moraal komt niet van buiten, ik kan daarvoor niet naar iemand anders verwijzen. Het moet van mezelf zijn.’

Ik denk: die man heeft gelijk, maar waarom is hij gaan denken dat je in de kerk de moraal extern belegt? Wat is er misgegaan dat kerken plekken zouden zijn waar mensen niet zelf moeten bedenken wat goed is, waar een ander voor je uitmaakt hoe je moet leven. Iets is ergens misgegaan. ‘Kom dan’ zegt de Nederlander tegen de eeuwige en zijn volgelingen, ‘kom dan, laten we het uitpraten. Al zijn je wangen rood van schaamte, ik zal het je niet nadragen. Zo gaat dat.’

Soms denk ik dat de man buiten bij het vuurtje, die niet per se de kapel inhoeft, die weinig te schrijven heeft en veel te zeggen over je eigen weg gaan, dichterbij de kritische godheid uit de teksten van de bijbel staat dan de godheid die de christenen bevestigt in hun goed-bezig zijn. De God die zegt: ‘laten we het uitpraten’ spreekt tegen een groep mensen die meent goed bezig te zijn en daarom recht te hebben op bevestiging.

De Psalmdichter schrijft: ‘ik maak u over offers geen verwijt, uw offerdieren zie ik aldoor branden. Wat spreekt gij aldoor over mijn geboden.’ De religiositeit is wel aanwezig, maar blijkbaar zit de eeuwige daar net zo weinig op te wachten als de man bij mijn vuurtje die liever buiten bleef staan. De dichter concludeert: ‘wie offers brengt van lof, die eert mij waarlijk – dankbaar zijn dus – wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God – het goede doen’. Zo eenvoudig. En zichtbaar. En onaantastbaar ook. Dankbaarheid en rechtvaardigheid.

En dat dan liefst zonder enig snobisme en zonder zweem van: wij weten het. Tenminste, dat zegt JC zelluf vanochtend: gij moet u geen rabbi noemen, u hebt maar één meester en u bent allen broeders. Noem niemand op aarde ‘vader’ (als in eretitel), u hebt maar één vader, de hemelse. En laat u ook geen leraar noemen, u hebt maar één leraar de christus.’ Interessante woorden, want dan is er ergens toch iets misgegaan. Puur op woorden al. Pater, Pastoor – betekent toch echt Vader en Herder. Dominee, hoe dominant is dat? En Paus betekent toch ook echt Papa. Je zou kunnen zeggen dat dit maar woorden zijn. Het zou ook kunnen dat de godheid nog wat uit te praten heeft met zijn volgelingen, en dat terwijl zij binnen zitten hun dingetje te doen, hij of zij hoofdschuddend bij een vuurtje zijn handen staat te warmen. En dan gaan de gebeden binnen langs de eeuwige heen om te verdwijnen in een vaag heelal omdat ze gericht zijn op een construct van beneden, een projectie vanuit een behoefte aan bevestiging.

Buiten worden de handen langzaam warm en loopt de man (of vrouw) toch nog even naar binnen. Even contact maken. Zien wat er te redden is. Binnen, buiten, waar dan ook. Met drie simpele woorden op zak: dankbaarheid, rechtvaardigheid en eenvoud.

Hier vind je drie tekstgedeeltes die Rikko vanochtend las.